Welkom

‘t Heistenaartje - De Processie

Cyriel Vantorre

Moest men mij vragen: “Wat is de meest religieuze herinnering uit uw jeugd?” dan zou ik zoals vele andere jongens van m’n tijd antwoorden: “de processie”. Ge weet wel van die processie die aan de zondag een vroom gemoed gaf, wanneer de klokken veel luider schenen te luiden dan anders. Het was in de tijd dat de kinderen nog ontzag hadden, als de schoolmeester of de pastoor kwam vertellen over de hemel, de hel en het vagevuur en die bang waren van de suisse in de kerk, meer bepaald van z’n staf waarop een koperen piek zat en waarmee hij vol trots in z’n blauwgeschoren gezicht door de gangen van het Godshuis op en neer paradeerde.

Hetgene ik hier wil neerpennen is al zo lang geleden dat er misschien wel enkele passages zullen in voorkomen die niet alleen te Heist, maar overal konden gebeurd zijn. Als kind was ik namelijk een teer poppetje die met een vingerknip omver tuimelde. Daarom verbleef ik soms in een kolonie voor zwakke kinderen, waar er ook dorpsprocessies uitgingen. Omdat ik altijd m’n vinger omhoog stak als de juffrouw vroeg wie in de processie wilde meestappen, heb ik in mijn jeugd meer dan eens Godvruchtige optochten meegemaakt. Neem het mij dus niet kwalijk als er wat verwarring in onderstaande tekst voorkomt. Mag ik u vragen mij allen te vergezellen op een processie omstreeks de jaren 1930.

Die dag was de drukte ongewoon rond de kerk. Bloemenstrooisters in heldere koorhemdjes haasten zich naar de plaats die maseur hun daags tevoren had aangewezen. Wanneer de processie zich vertwijfeld in beweging zette, ging de koster vooraan met een hoog kruis. Met nog drie andere kinderen liep ik naast hem, gekleed zoals pastoors die de mis doen. We droegen elk een wimpeltje, één in rode zijde met vier ankertjes op, één in Lievevrouweblauw waar een heilige op gestikt was in het zilver, een derde was geel en het vierde was groen, bezet met goedkope robijnen en werd gedragen door een piepklein kereltje.

't Was halverwege september en het kleed der bomen zag reeds bruin als droge tabak. De blaren vielen reeds dapper af. Een lauw windje deed de vlaggetjes luiachtig wimpelen. Dit alles gaf aan de warme nazomer een vredige bekoring. Een dikke broeder op z’n blote voeten en in een bruine pij gekleed, droeg te samen met een jongen in rode rok het beeld van de heilige Euphemia die dood gebeten werd door een beer.

Een bekruld meisje liep iets voorover om haar witgestijfd kleedje niet te verkreukelen; uit een verzilverd mandeke wierp ze profijtig nu en dan een roos of enkele viooltjes op de keien. De mensen aan de kant vonden dit eigenlijk zonde om die mooie bloemen zomaar op de grond te werpen, doch niemand durfde ze oprapen.
Wat verder droegen vier vrouwen het grote scheefhellend beeld van Sint-Elooi in bisschopskostuum. In de ene hand toonde hij zijn hamerke en met de andere hand, die er verkeerd aanstond, hield hij een rood boek vast zoals iemand die het flerecijn heeft. Achter hen liep een groepje kwezels met uitgestreken gezichten. Bij het bidden van de Weesgegroeten beierden de paternosterbollen tussen hun eeltige vingers.

Mijnheer pastoor liep bedolven onder een omhulsel van goud brokaat en in z’n handen straalde als een zon het kasteeltje van de remonstrants. Er stapte een jongen naast hem met een wierookvat. Twee rijen kromgesloofde mannen, die altijd vanvoren in de kerk zaten, liepen opzij met bengelende lantaarnen.

Wat verder kwamen statig een schaar engeltjes afgestapt; van sommigen waren hun vlerken erg gepluimd. Hoewel mijnheer pastoor een omhaling in de kerk had gedaan, waren de resterende pluimen ook fel verfrommeld. De engeltjes werden op de voet gevolgd door groene herdertjes die elk met een witte stok op de straatstenen tikten. Maseur liep met hen mee om te zien of ze het wel goed deden. Heel op het einde kwam de muziek van de “kaloten“ en speelde van “Ten Lourdes op de berge“. Daarachter stapte de burgemeester met een splinternieuwe hoed op. Hij werd geflankeerd door enkele vroede vaderen die ijdel en fier naar de mensen keken die er niet waren.

Stil en ingetogen trok de processie door de hoofdstraten van het dorp. De koster had het niet moeilijk om de te volgen weg te vinden, want ze was bestrooid met boter- en paasblommetjes. Op andere jaren was het altijd de dorpskom geweest die bewandeld werd, deze keer had de pastoor beslist Gods landelijke wegen te vereren. Omdat mijnheer pastoors woord wet was, ging de processie dan ook een heel ander kant uit.

Een manke herder, die ik nooit van tevoren had gezien, liep af en toe voor de voeten van de koster. Hij was gekleed met een grijze mantel die vol genaaid was met heilige prentjes. Hij was zo lelijk als de donder, net iemand die weggelopen was van ‘t kerkhof. In plaats van een herdersstaf droeg hij een holle trom waarop hij een hels lawaai maakte en daarmee de dikke broeder een pinnig gezicht bezorgde.

- “ ‘t Zal gaan regenen“, kwam hij eensklaps tegen de koster zeggen.
De processie sloeg nu rechtsaf en belandde buiten het dorp, langs de verlaten akkers waar daags tevoren de laatste korenschoven waren binnengehaald. De patatten werden maar na de kermis uitgedaan.

We passeerden een houten windmolen waarop een Belgische vlag wapperde. Langs een verlaten zandweg stapte de processie verder terwijl de ijverige klokken altijd maar luidden en het gegalm de lucht deed vullen. De kleine huisjes die we voorbij gingen, hadden tafeltjes buiten gezet waarop brandende kaarsen stonden. De inwoners in hun zondagse kleren keken door de ramen of knielden eerbiedig op de grond. Anderen zegden “Och, hoe schoon“. Het muziekkorps was een tijdje stil gevallen maar speelde nu het Ave Maria.

- “ ‘t Zal gaan regenen”, kwam de potsierlijke pelgrim nogmaals tegen de koster zeggen. Ik kon het duidelijk horen en ‘k dacht daarbij aan mijn schoon pastoorskleedje en de kantjes die zouden nat worden.

- “Eer we thuis zijn, zijn we nat als mest”, voegde de lelijkaard eraan toe. Die woorden waren nog niet uitgestorven of warempel, daar kwamen een pak grijze wolken het zwerk verdonkeren. De dikke broeder, die het beeld droeg van de heilige die doodgebeten werd door een beer, had het ook gehoord en vertelde het verder. De burgemeester kwam het zo ook te weten en dacht meteen aan z’n nagelnieuwe hoed. Daarom ging hij de koster zeggen dat hij rapper moest gaan.

- “Dan kan mijnheer pastoor niet volgen”, antwoordde hij en behield z’n processiestap. Een grote schaduw wandelde nu over ‘t land, de zon kuiste z’n schup af en een grijze kleur vulde de lucht boven het dorp. Alleen de hoge vervallen wieken van de molen die we zoeven waren gepasseerd, staken nog schril af tussen een overblijvende rosse klaarte. De koster trok zich van dat alles weinig aan en vervolgde ongestoord z’n weg en achter hem volgde gans de kudde. Er stonden nu geen huizen meer, rechts van ons lag in de verte het dorp en aan de linkse kant lagen de velden te wachten om straks de weldoende regen in ontvangst te nemen. De wolken hadden nu heel het firmament in beslag genomen waaruit de eerste lekken vielen; juist uitgerekend op de hoed van de burgemeester.

Nu kwam heel de suite op de oude kasseiweg die door twee grachten omsloten was en in verbinding stond met het naastgelegen dorp. De eerste huizen stonden nog een paar honderd meter verder. De eerste spetters werd opgevolgd door nog veel meer en seffens rook het naar zand en aarde dat nat werd. ‘t Hield even op, en klets daar was het weer, nu in al zijn mildheid en overvloed. Behalve de pastoor, die onder een soort tent liep, waren allen in een ommezien zo nat als een sok en kwam de alteratie. De regen viel met emmers naar beneden en de druppels waren zo groot als marbels. Geen boom om onder te schuilen, geen gat om in te kruipen

Mijnheer pastoor die onder het baldakijn vol eerbied en kalmte de heilige remonstrants verborg, beveelde voort te gaan, maar er was bij iedereen verwarring. Het meisje met het zilver mandeke en de kurketrekkerskrullen schreeuwde alles omver, haar lokken hingen slap en druipend op haar gestijfd kleedje.

Toen de eerste huizen werden bereikt en de gracht bezijden de straat ten einde liep, zetten de vier vrouwen hun Sint-Elooi neer en liepen met hun rokken over het hoofd om beschutting te zoeken. Dat deed ook de dikke broeder, de bedevaarder, de jongen met het wierookvat. Samen met de drie andere jongetjes liep ik mee. De laatste die er de brui aan gaf was de burgemeester, die met een zakdoek over z’n hoed kwam afgelopen. Ieder had zijn reden: hun pasgeperste kraag, de prentjes op hun kleed of hun hoofddeksel…

De koster, de pastoor en enkele getrouwen bleven in de malse regen voortploeteren. Intussen had een inwoonster haar voordeur wagenwijd opengezet, de burgervader mocht z’n toevlucht nemen in de beste kamer waar het heerlijk rook naar appelmoes en bloedworst. De vrouwen dampten naast de kachel en taterden over het bederf van hun kleren en de burgemeester over z’n schonen hoed.

Beste lezers aan alle lijden komt een einde, dat was hier ook het geval want plots triomfeerde een grote regenboog, de haan uit het kiekenkot kraaide, de helft van de lucht was alweer zuiver blauw.

Sint-Elooi en de H. Euphemia met haar beertje toonden weer hun houten beschilderde glimlach.

Toen de rest van de processie aan de kerk arriveerde was de misdienaar nog altijd de klokken aan het luiden, hij was wat moe geworden en het geluid was niet meer zo regelmatig.

Nee beste mensen, zulke processies gaan er niet meer uit ..... spijtig.

De regendroppels kusten de aarde en
fluisterden: “Wij zijn Uw kinderen,
moeder, ziek van heimwee,
uit de hemel bij U teruggekomen“   r.t

't Heistenaartje - De Processie

Cyriel Vantorre

Heyst Leeft
1982
1
003-006
Ludo Sterkens
2015-03-30 14:38:12

Afdrukken