Zondagbabbel - Vuur, zee, zout. Het ontstaan van een Romeinse zoutindustrie in de Zwinstreek

romeinsezoutovensteleffinge.jpg

Lezing op zondag 22 september 2019 - 10 -12 uur door Michiel De Koninck

Foto: Restanten van Romeinse zoutovens aangetroffen in Leffinge (1977) (©RAMS)

“Zonder zout kan men geen beschaafd leven leiden”.  Deze uitspraak van Plinius de Oudere (1ste eeuw na Chr.) illustreert treffend de prominente plaats van zout in de Romeinse samenleving. De Romeinen gebruikten zout voornamelijk voor de bewaring en de bereiding van voedsel, maar talloze andere toepassingen zijn eveneens gekend: leerlooien, metallurgie, geneeskunde, rituelen…

In de Mediterrane wereld was er aan zout geen gebrek. Een systeem waarbij zeewater op natuurlijke wijze verdampt in zoutpannen (salinae) voorzag de dorpen en steden van een constante zouttoevoer. Zo werd Rome vanaf de 6de eeuw voor Chr. langs de via Salaria bevoorraad door zoutpannen gelegen op de oever van de Tiber. Klimatologische omstandigheden (neerslag, zonne-energie, wind) maakten het gebruik van zoutpannen (salinae) echter ongeschikt in de noordelijke provincies van het Romeinse Rijk (Britannia, Gallia Belgica).

De zoutproductie in deze regio’s steunde op een meer energie- en tijdrovende kunstmatige verhitting waarbij pekel in aardewerkvormen werd uitgekookt totdat zout uitkristalliseerde. Karakteristiek voor dit productieproces zijn de aardewerkvormen, ook wel briquetage aardewerk genoemd, die door archeologen als gidsfossiel voor zoutproductie en –consumptie worden gebruikt. Het veelvuldig voorkomen van dit aardewerk in combinatie met verhittingsstructuren langsheen de Belgische kust en Zeeland, laat toe een belangrijke Romeinse zoutindustrie in deze regio te veronderstellen.


Afdrukken E-mailadres