headerbg bl
HomeGeschiedenisHeemkundige kringenZoeken in publicatiesScheepsrampen aan de Vlaamse Oostkust - Deel 13

Scheepsrampen aan de Vlaamse Oostkust - Deel 13

Scheepsrampen aan de Vlaamse Oostkust

Deel 13   Erik F. Baeyens  - Vervolg van jaargang 1999

2014-11-20 171613

1886

Begin februari werd al enkele dagen een reusachtige walvis opgemerkt die rondjes voor de Oostkust zwom. Dagelijks kwamen de kustbewoners vanop de zeedijk naar het schouwspel zien hoe de walvis op 300 à 400 meter voor de kust, volgens de plaatselijke correspondent “door duizenden meeuwen omringd, die de kleine visjes stekken (oppikken) die het zeemonster samen met het water uitspuit”.

In Blankenberge scheepten, onder grote belangstelling, een bende goed gewapende jagers in op een vissersschuit. Ze zouden pogen het zeemonster te doden. Het zoogdier was echter zijn achtervolgers te vlug af. Het dier werd gesignaleerd op de Zeeuwse kust maar op 12 februari verscheen het terug voor Blankenberge.

De boot van de reddingsdienst onder de leiding van schipper Godeyne stak in zee en begon aan de jacht. Twee jagers waren ingescheept. Een zekere Schwartz die voor de kost schâelbelettercommissaris was (wat is dat voor iets!) en de kunstschilder Alex Verhaeghe. Met zes man aan de riemen duurde de jacht vier uur. Nadat alle kogels verschoten waren, verdween de zwaar gewonde walvis voor goed uit het oog.

We zijn al april als een verschrikkelijk onweer huis hield aan wal. In Knokke werd de molen van Karel Lievens door de bliksem getroffen. De bovenbouw werd aan spaanders geslagen, terwijl de as met de wieken uit de molen werd gerukt.

Een maand later werd in Heist de molen van de kinders van Barvoets eveneens door blikseminslag zwaar beschadigd.

In juli verdronk de 18-jarige koewachter J. Waeghe uit de Zoutepolder bij het baden in zee en in augustus deden de prinsen Boudewijn en Albrecht vanuit Heist een voettocht naar de vuurtoren van Knokke. Dat was dan zowat het Big News van de Oostkust.

Begin september werd de goegemeente nogmaals opgeschrikt als mosseldieven betrapt werden toen ze kweekmosselen stalen. Met behulp van de Heistse reddingsdienst konden ze ingerekend worden. De in Nederland geregistreerde visserssloep werd in beslag genomen.

Eerdere pogingen om de daders bij de kraag te vatten had niets opgeleverd. De dieven die ‘s nachts opereerden, sprongen, wanneer ze betrapt werden, in zee “en zwommen als otters naar hun schuiten”, schrijft onze verslaggever. Gendarmes en douanen hadden het nakijken.

De Belgische ordehandhavers besloten van taktiek te veranderen. ‘s Nachts werd de reddingsboot bemand met vier roeiers, een zekere Dubois, bestuurder der baden, bediende de helmstok en bewapend met twee “harenmutsen”. Vermoedelijk bedoelt de schrijver hier rijkswachters.

Toen de mosseldieven op heterdaad betrapt werden en trachten te ontsnappen, werden ze na een twee uur durende achtervolging met enkele schoten voor de boeg tot andere gedachten gebracht.

De opvarenden, vier Boukhoutenaren: Begyn Petrus (25), Schademan Theophiel (26), Schademan Damien (30) en Plogaert Lieven (18), bewoners van het Belgische grensdorp die de Philipijnse mosselvisserij bedreven met schuiten onder Nederlandse vlag, werden opgebracht en in het cachot gezwierd.

Grasduinend in de Moniteur (Staatsblad) onder ''actes de courage, de dévouement en d’humanité'' vinden we:

Zilveren medaille voor de Heistenaars Jean Savels, Philippe Savels, Jean Verpoorten, Joseph Verpoorter (allen vissers van beroep) met de tekst:

''Deux ouvriers en creusant un puits, le 1er février 1865, furent ensevelis sous un éboulement; ils auraient été asphyxies sans le dévouement des personnes désignées ci-contre, qui n’ont pas hésité à exposer leur vie pour sauver ces ouvriers''.

Zilveren medailles voor Heistse vissers Leopold Van Torre en Joseph Van Torre: ''Un pècheur, en voulant regagner, le 24 septembre 1865, la plage par une mer très houseuse, était sur le point d’être englouti par les vagues, quand L. Van Torre et J. Van Torre, n’écoutant que leur courage, se jetèrent tout habilés dans l’eau et parvinrent, non sans danger, à ramener, à remener le pècheur sur le rivage''.

2014-11-20 171632

1887

Op 7 april 1887 brak plots een hevige storm los over de Noordzee. Van de 49 Blankenbergse vissersschuiten konden er 26 tijdig de haven aanlopen. 21 werden door de storm verrast en op de kusten tussen Nieuwpoort en Blankenberge geworpen.

Van het lot van twee van hen was men niet zeker.

De Noorse driemaster Resolut onder het commando van de 26-jarige kapitein Julian Rasmussen uit Portsgrunn, verging op de kust van Heist. Van de elf bemanningsleden verdronken er twee.

Om één uur ‘s nachts hadden douaniers opgemerkt dat een schip zwaar opbotste tegen de kolkende zee. Het schip was te dicht onder de kust verzeild en probeerde dieper water te halen. Vruchteloze pogingen die niets uithaalden. Vanop het strand waren de tolbeambten getuige hoe de wanhopige bemanning de masten velde. Ondertussen was het schip gestrand op een golfbreker aan de sluizen van Heist, een goede 300 meter uit de kust.

De permanentie van Reddingsstation Knokke werd gealarmeerd. Toch werd het nog 10 uur voor de reddingsboot in zee kon steken. Volgens wat een getuige later aan een verslaggever verklaarde, vertoonde zij zoveel onervarenheid dat de aanwezige menigte op het strand “mistevreden” werd.

Op de golfbreker werd de Resolut, ten prooi aan de kolkende zee, traag maar zeker tot wrak herschapen. De elf opvarenden zochten hun heil op ronddrijvende planken en dreven her en der verspreid met de willekeur van de golven mee. De toeschouwers zagen vier man hangend aan wrakhout de kust naderen. Plotseling werden ze door een hoge golf aan het zicht onttrokken en toen ze terug aan de wateroppervlakte verschenen, waren ze nog met twee. Twee man zouden niet levend het strand bereiken. Later spoelde op het strand van Oostduinkerke het lijk aan van de scheepsjongen Soen Obien (17). De stuurman Andreas Dedrickxen (21) werd nooit gevonden.

Vijf anderen, waaronder later zou blijken de kapitein, hadden zich aan een stuk mast vastgeklampt en dreven buiten de branding. Enkele inwoners van Heist sprongen in zee en konden met vereende krachten de mast met de drenkelingen naar het strand slepen. Ook de anderen werden drijvend op wrakhout zo naar het strand gebracht. De geredden werden eerst ter verzorging naar de dichtstbij gelegen particuliere huizen gebracht, later naar het gemeentehuis.

De Resolut werd volledig uiteen geslagen. Hout en scheepsonderdelen verspreidden zich over de ganse kust. Het had geen vracht aan boord en voer in ballast van Amerika naar Noorwegen. Het vaartuig dat op een waarde van 70.000 frank werd geraamd, was verzekerd bij de Noorse verzekeraar “Forst Norsk Assurance Forening”.

Het nieuws van de stranding had zich als een lopend vuurtje te lande verspreidt en de eerstvolgende zondag kwamen met de trein massa’s volk toe in Heist. Het ramptoerisme was een feit geworden.

Eigenaardige brieven

De burgemeester van Knokke schreef naar de krant “Flandre Liberale” een artikel aangaande de commentaar van het “tekortschieten” van de reddingsdienst van de badstad. “Wat het te water laten van de reddingsboot betreft: dit heeft men op alle manieren beproefd. Eerst stak men hem in zee omtrent 500 meter oostwaarts van het in nood zijnde schip, opdat de noordoostenwind de nadering van de boot zou vergemakkelijken. Dat lukte niet. De woedende golven wierpen de boot telkens terug op het strand. Ze verloren de moed niet. Ze sleepten de boot nog meer oostwaarts en lieten ze opnieuw te water. Doch andermaal vruchteloos. Een derde poging werd ondernomen door de golfbreker te volgen (!), maar doordat de storm in hevigheid toenam, kon niet verhinderd worden dat de boot tot vier maal toe teruggeworpen werd.

Reeds hadden zij gedurende twee en een half uur tegen de baren geworsteld toen eensklaps het schip verbrijzeld werd en een matroos in zee sprong om naar de kust te zwemmen. Hoewel allen halfdood van kou waren, werd een laatste poging ondernomen. Het is toen dat schipper Van Dierendonck de Noorse matroos in de golven zag verdwijnen. Hij sprong uit de boot in zee en gelukte erin hem te bereiken en aan de wal te brengen, waar hij door enige vissers van Heist opgevangen werd.

Toen de schipper nogmaals in zee sprong om de anderen bij te staan, was de reddingsboot er in gelukt ook de andere schipbreukelingen te bereiken, die zich op een plank lieten voortdrijven. De overige manschappen werden gered door Van Dierendonck, bijgestaan door de heren Paternoster en Van Torre uit Heist”.

In het Algemeen Rijksarchief van het Zeewezen in Brussel wordt een in het Frans opgestelde brief bewaard van burgemeester Seb. Nachtegaele aangaande het vergaan van de Resolut. Ik geef hier de vrije vertaling:

Knokke, 10 april 1887

Mijnheer de Gouverneur,

In antwoord op uw schrijven van uw brief deze middag ontvangen.

Ik informeer u over de artikelen die gepubliceerd werden in de “Courrier de Bruxelles” en de “Flandre Liberale” aangaande het tekortschieten van de reddingsdienst.

Ziehier het juiste verhaal:

De Noorse driemaster Resolut is om plusminus 7 uur op de kust van Heist gestrand. Een half uur later werd de Knokse reddingsdienst verwittigd. In minder dan een kwartier werd de reddingsboot uit de hangar, op 20 minuten van het dorp van Knokke gelegen, gehaald en op weg gebracht naar de plaats van de stranding, zo’n 45 minuten verder. Om kwart voor acht waren de redders ter plaatse en lanceerden, op ongeveer 500 meter van het gestrande schip, de reddingsboot in zee. Spijts al hun moeite kon men het schip niet naderen. De wind die uit het noorden blies, sloeg de reddingsboot terug op het strand.

De redders verloren de moed niet. Lanceerden de boot opnieuw en staken terug in zee. Vier pogingen met al hun krachten gebundeld om de golven te trotseren waren tevergeefs. De wind nam in kracht toe.

Ze hadden toen twee en een half uur tegen de woedende zee gevochten, toen het schip zich begon te verbrijzelen. Eén matroos sprong in zee. Hij probeerde de kust zwemmend te bereiken. Halfdood door koude en vermoeidheid zetten de redders opnieuw de boot in zee. Tevergeefs. Ze konden niet vooruit komen door de wrakstukken van het schip.

Het is dan dat de schipper van de reddingsdienst, mijnheer Vandierendonck, die al de Noorse matroos zag verdwijnen, uit de boot in zee sprong om de ongelukkige ter hulp te komen. Met suprème inspanning kon hij deze vastgrijpen om aan land te brengen. Hij werd hierbij geholpen door enkele Heistse vissers.

Ondertussen had Vandierendonck zich terug in zee gestort om de anderen te redden. De reddingsboot kon twee matrozen aan boord nemen die zich met behulp van wrakhout drijvend hadden weten te houden. De rest werd door Vandierendonck gered. Hij werd hierin bijgestaan door Paternoster, een herbergier uit Heist en een zekere Vantorre, eveneens uit Heist. Van het andere schip dat in Knokke zou zijn gestrand, is niets waar.

Met achting, mijnheer de Gouverneur, enz....
De Burgemeester, Seb. Nachtegaele

Copie conforme,
Le Griffier de Province,
J. Sheridan.

Tot daar het schrijven van onze burgervader. Hoe dan ook. Het goede nieuws kwam uit Blankenberge. Toen de storm afnam, konden alle sloepen veilig de thuishaven aanlopen.

Op 27 april richtte gouverneur Ruzier een schrijven aan de minister:

Aangaande de redding van de Resolut, enz...,

Ik heb het mijn plicht gevonden om meer gedetailleerde gegevens op te vragen. De personen die bij de scheepsramp betrokken waren, verklaren het volgende:

sedert één uur vannacht waren de douaniers getuige van de inspanningen van het schip om dieper water op te zoeken. Na drie pogingen gaven de zeelui het op en begonnen de masten te kappen.

Om 8 uur ‘s morgens bevond het schip zich op 500 meter van de kust en de reddingsploeg van Knokke was om 5 uur op de plaats van de stranding aanwezig.

Na enkele pogingen om, op de meest onhandige manier, de boot in zee te hebben gezet, gaven de mannen het op.

De mensenmassa die rond hun stonden liet krachtig hun afkeuring blijken.

Ruzier schrijft ook dat de reddingsboot geen “boulet d’amarre” aan boord had. Vermoedelijk gaat het hier om een zogenaamd wippertoestel, waarbij door middel van een kanon of raket een lijn naar het gestrande schip wordt afgevuurd.

Hij vervolgt:

Verschillende matrozen gingen in zee tot de gordel, maar ze konden niet vooruit. Het schip de Resolut, sloeg op de golfbreker te pletter. Gedurende één uur zag men een groep ongelukkigen die zich hopeloos aan het wrak vastklemden tegen de dood (!).

De Noorse zeelui sprongen in zee wanneer ze zagen dat ze grond hadden en ze op het strand werden opgenomen, in schok en bijna van hun zelven (bewusteloos). Had de tij afgaande geweest in plaats van opkomende, zou geen enkel van hen de ramp overleefd hebben.

De reddingspost bevatte geen enkele instructie om de eerste hulp toe te dienen. De dokters zijn maar rond 11.30 uur opgeroepen geweest.

Getekend gouverneur Ruzier.

Ruzier mocht op 9 mei een schrijven van de minister van de IJzerweg in retour ontvangen.

Ik bedank u voor de communicatie. Op 27 dezer maand 2e Direction, 3e Division, n° 78.422. Ten gevolge van de kritiek waaraan de reddingsdienst onderhevig was door enkele dagbladen ten gevolge de ramp tussen Knokke en Heist van de driemaster Resolut.

De administratie van de marine had al een onderzoek ingesteld op deze feiten. Het resultaat van deze informaties is op niets gebaseerd en gefondeerd ver van deze kritiek die de redders van Knokke niet verdiend hebben. Ze hebben zich moedig gedragen op risico van eigen leven om de zeelui van de Resolut aan een zekere dood te hebben onttrokken.

Ik laat onderzoeken of de vraag om een tweede reddingspost te Heist niet wenselijk zou zijn (4).

Getekend, enz...

En zo zie je maar weer. De beste stuurlui staan aan wal! Het gehele geval werd geklasseerd, de doofpot ingestoken en zand erover.

1888

Een in het Frans opgestelde smeekbede vroeg dringende hulp voor de noodlijdende Heistse vissersbevolking. De oproep kwam van een inderhaast opgericht “berek” (bestuur).

Aan het hoofd stond burgemeester Desutter met in zijn kielzog een sliert notabelen. Volgens het pamflet werd de “buitengewone ellende veroorzaakt door de langdurige winter en het stormweer, dat belette dat de vissers in zee konden gaan”.

Gewoonlijk waren de vissers drie maanden werkloos. Deze winter duurde de gedwongen werkstaking al vijf maanden en er scheen geen beterschap in ‘t zicht.

De oproep was gericht aan de “vrouwen en heren die alle jaren te Heist het schone jaargetijde doorbrachten of er vroeger geweest waren en er de beste herinneringen aan overhielden”.

Niet alleen werkloosheid trof de arme vissersbevolking. Van zodra de visserij terug kon aangevangen worden, loerde het noodlot op zee om de hoek. Eind september 1888 boorde de Belgische mailboot SS Prince Baudouin een Heistse vissersschuit in de grond. De mailboot kwam van Dover met veranderlijke wind. Verschillende visserssloepen zochten veilige haven en bij het binnenlopen van Oostende werd de nr. 17 van schipper Constant Blommaert-De Voogt (23) in de vroege morgen gegrepen door de Prince Baudouin.

Kapitein Vandevelde had nog tevergeefs gepoogd door met zijn machines in achteruit de aanvaring te voorkomen. De sloep zonk snel. Er waren vier man en een kajuitjongen aan boord; drie kwamen om, twee werden gered door opvarenden van een jol die toevallig in het vaarwater lag.

De omgekomen vissers waren naast de schipper: Pieter De Groote-Vlietynck (50); hij was gehuwd en liet een weduwe met zes kinderen na; Frans Vandierendonck-Verquaille (33), ook gehuwd. Ook hij liet zes kinderen na waarvan de oudste pas 10 jaar was. De geredden waren de kajuitjongen Jan Blommaert, zoon van de schipper en Lodewijk De Groote.

Aan de waterschout verklaarde kapitein Vandevelde dat de visserssloep geen navigatielicht voerde, wat door de overlevenden tegengesproken werd.

En zo werd voor de tweede maal dit jaar een oproep tot liefdadigheid aan de goegemeente gericht. Ook de Brugse burgervader, Gustaaf Van Vlaenderen en de eerwaarde heer Van Mullem deden een oproep tot de burgerij van de Breydelstad om een aalmoes “hoe gering ook”, in het zakje te doen.

1889

De Heistenaars werden op vrijdag 27 december geconfronteerd met de eigenaardige stranding van een Franse visserssloep.

‘s Avonds om negen uur kwam de B 1731 St.-Pierre op het strand terecht. De letter “B” verwijst dat het schip in Boulogne geregistreerd stond. Het vaartuig stond half onder water en de inboedel vertoonde een verwarde indruk. Aan boord bevond zich slechts één man waarvan op het eerste zicht de stoppen waren doorgeslagen.

Uit de wartaal die de man uitkraamde, trokken de Heistenaars de conclusie dat hij door storm was overvallen en dagen zonder eten in de bar koude zee had rondgedobberd. Over de andere opvarenden kon hij geen inlichtingen verstrekken.

Navraag bracht het volgende aan het licht: de naam van de ongelukkige was een zekere Decharle afkomstig uit Etaples waar hij in 1841 geboren was. Hij was tevens eigenaar van het vaartuig. Betrokkene was gehuwd met een zekere Marie Dambrain die in Oostende verbleef. Hij had Oostende verlaten om de visserij te bedrijven met een 18-jarige matroos aan boord. Identiteit van deze kon niet achterhaald worden. Wat er met de man gebeurde, was al evenmin duidelijk.

Volgens ingewonnen inlichtingen bij zijn vrouw zou Decharle al enkele maanden tekenen van krankzinnigheid vertoond hebben.

De St.-Pierre werd in aanwezigheid van Charle’s vrouw door bemiddeling van de heer Paternoster openbaar verkocht op het strand.

1895

Met een aanzienlijk aantal gasten aan boord koos de Blankenbergse plezierstomer Stéphanie op 27 augustus 1895 om vier uur in de namiddag het ruime sop. Ter hoogte van Heist kreeg het schip machinedefect en ging voor anker. Omdat er zwaar weer op komst was, waren enkele Blankenbergse vissers met hun schuiten uitgevaren om de passagiers over te nemen en naar Blankenberge terug te brengen.

Idee dat de kapitein van de Stéphanie niet deelde omdat er te veel wind stond en hij zich nog verantwoordelijk achtte voor de opvarenden. Sleepbootassistentie werd aangevraagd. In Oostende zwierden de sleepbootstokers wat extra kolen op het vuur en onder volle damp voer de ps Rimorgueur uit. Ondertussen was de nacht ingevallen.

De vissers waren tot het laatste ogenblik langszij de Stéphanie gebleven. Nu zeilden ze huiswaarts. Eén van hen zette hierbij te veel zeil en kapseisde vóór de haven. De schuit dreef af naar De Haan waar het strandde. De twee vissers, Adolf Maenhout en Désiré Declercq verdronken hierbij.

Eind augustus spoelde het lijk van Adolf aan op het strand tussen Knokke en Heist. Het stoffelijk overschot werd naar het dodenhuisje in Heist overgebracht. Declercq spoelde later aan op het strand van Wenduine.

1896

Het gebeurde in het jaar dat het borstbeeld van kunstschilder Verwee in Knokke ingehuldigd werd. Op 14 januari 1896 was de Engelse tweemaster Sultan (1868-226brt), een brigantijn met als thuishaven Portsmouth, uit de Noord-Engelse kolenhaven Sunderland afgevaren. Bestemming was Oostende met een lading van 390 ton steenkool. Het zeilschip stond onder het gezag van kapitein John Moon. Voor Moon was het zijn eerste reis met dat schip. Verder bestond de crew uit zeven koppen.

De dag daarop werd het schip in de vooravond overvallen door een zware storm. Later zou vastgesteld worden dat het kompas vier streken fout uitwees, zodat het schip teveel uit koers naar het oosten afdreef. Volgens de verklaring van de kapitein zag hij ‘s morgens om twee uur een licht dat hij voor een ander schip waarnam. Kort daarop stootte het schip aan de grond en zat vast. Hij liet onophoudelijk noodsignalen geven. Pas om halfzeven in de morgen kwam hulp opdagen.

2014-11-20 171651

Het was inderdaad bij dageraad dat de redders-douaniers uit Knokke een rode gloed in zee opmerkten. Eerst werd gedacht dat er een schip in lichtelaaie stond. Later zouden ze erachter komen dat de schipbreukelingen in wanhoop hun eigen kleren in brand hadden gestoken om de aandacht te trekken. Vanaf de vuurtoren werd de reddingsboot in zee gelanceerd. Als antwoord werd vanuit de vuurtoren signalen gegeven aan het schip : hulp kwam eraan.

Door de woest opspattende branding sleurden de 12 roeiers aan de riemen richting noordoost. Schipper was Demeester. de volledige bemanning kon gered worden en na de landing op het strand werden ze naar het gemeentehuis overgebracht. Na verzorging konden ze daar overnachten. De volgende dag werden ze naar Reist gebracht. En nog een dag later werden ze na verhoor door de waterschout en na afhandeling van de nodige formaliteiten, in Oostende aan boord van een mailboot geplaatst en richting Dover gestuurd.

In tegenovergestelde richting kruisten in een andere mailboot de eigenaar van het vaartuig, een zekere Crampton en een agent van het huis Pescott uit Dover. In Knokke gearriveerd werd besloten het schip van zijn tuigage en inventaris te ontdoen. Het schip, dat met een forse noordoostenwind hoog op het strand was verzeild, was door het stoten op de grond zo lek als een zeef en totaal waardeloos geworden. Tot overmaat van ramp waren schip noch lading verzekerd.

Zodra het weer het toeliet, werd het schip ontmanteld. Touwen, ankers, zeilen, kettingen, enz., verhuisden naar het gemeentehuis in Knokke. In het «Burgerwelzijn» van zaterdag 18 november 1896 verscheen een advertentie: Het schip zou op 20 januari in de namiddag openbaar verkocht worden in het stadhuis van Knokke. Deurwaarder De Vos uit Oostende regelde de verkoop, waarvan de geboden som met een taks van 10 % verhoogd moest worden.

De verkoop had uiteindelijk plaats in de herberg van Pol Byl et notaris Termote stond in voor de vendutie. Louis Baeyens, een wagenmaker en paardensmid uit de Smedenstraat en een herbergier uit Het Zoute, een zekere Edward Verheye, hadden de koppen bijeen gestoken en deden een totaal aanbod voor schip en lading van 2.400 fr. Ze konden zichzelf als de gelukkige nieuwe eigenaars beschouwen. 10 minuten later hadden ze de ganse partij kolen van de hand gedaan aan 10 fr. per ton. De tuigage ging van de hand voor het maatschappelijke prijsje van 2.000 fr. Tel je winst. «Fast business» noemen ze dat in Amerika.

Louis Baeyens zou in datzelfde jaar het hotel «De la Plage» bouwen naast de vuurtoren en volgens de overlevering het hout van de Sultan erin verwerken. Het hotel werd in 1906 vergroot. De nagedachtenis aan de Sultan zou nog lang naleven bij de bevolking van Knokke. Een herberg die uitgebaat werd door een zekere Ingel Viaene werd naar het vergane schip genoemd, in de buurt van het huidige kerkje van de Paters Dominikanen. Drie weken na de stranding bleef er van het schip nog een troosteloze romp over. De kolen, oorspronkelijk voor elders bestemd, branden in menig huiskamer van een Knoks huisgezin. De warme gloed verschafte een gezellige sfeer in deze winterse dagen.

Op 9 februari 1896, na een aanvaring met een Duits schip zonk de Britse ss Busy Bee (1865-9O2brt) in de Wielingen ter hoogte van Knokke. Het ongeval gebeurde ‘s nachts en in dichte mist. De ss Busy Bee onderhield een lijndienst tussen Newcastle en Antwerpen. Het aanvarende schip, de ss Lindenfels, was een vrachter die onder het gezag stond van kapitein Lintgen. Het had Antwerpen verlaten en was op weg naar Bombay. Passagiers, loods en bemanning werd door de Lindenfels gered. Vervolgens werd het roer 180 graden omgegooid en keerde het schip naar Vlissingen terug. Daar werd een groot gat in de voorsteven vastgesteld.

Gedurende de middag trok de mist op en vanaf de kust waren de masten en de schouw van het gezonken schip ten westen van het lichtschip «Wielingen» goed zichtbaar. Een Vlissingse sleepboot was ter plaatse maar kon niets meer verrichten. Toen deze aanstalten maakten om af te varen, zette de Heistse vissersvloot alle zeilen bij en voer ter «visserij» uit. Behalve een reddingssloep die de visserssloep Auguste van schipper Leopold Meyers kon bergen, werd niets van waarde opgevist. Maar dat verklaren vissers altijd als ze voor de waterschout moeten verschijnen Met valavond werd het terug potdichte mist en de Engelse ss Clapton stoomde pardoes op de masten van het wrak. Er werd heen noemenswaardige schade vastgesteld, maar het ongeval alarmeerde toch de overheid. Bij dageraad werd het lichtschip «Noordhinder» als baken op de plaats van het gezonken vaartuig verankerd. Nu geflankeerd door beide lichtschepen, de «Wielingen» met zijn draaiend rood licht en de «Noordhinder», volgens de mededelingen aan de scheepvaart: avec deux feux blancs fixés place ~ babord et â tribord, was de veiligheid van de scheepvaart voorlopig verzekerd. Een agent van de Zweedse bergingsmaatschappij «Neptune» was te Heist verschenen, maar er werd geen akkoord tot berging bereikt. Het vaartuig zonk in het zand en werd met de tijd vergeten.

Hiermee zijn we dan aan het eind van de l9de eeuw beland. De drie volgende jaren werden bij mijn weten geen scheepsrampen op de Oostkust opgetekend. In de volgende uitgaven van «Cnoc is ier» gaan we uitzoeken wat er in de 20ste eeuw voorviel.

****

ERE-LEDEN CNOC IS IER (werkjaar 2000)

  • Aeben Willy
  • Aertsens O.
  • Aerts Jean
  • Baeyens Eric
  • Ballegeer A.
  • Boone Dirk
  • Bossaert Danny
  • Boussy Werner
  • Buysse A.
  • Cauwels Ignace
  • Christiaens Eug.
  • Claerhout Irma
  • Cock Stanislas Wed.
  • Daeninck Maria
  • De Blaere A.
  • De Boo
  • Debrock Wed.
  • Declercq R.
  • Decock W.
  • De Groote Gh.
  • Deklerck André
  • De Koninck J.
  • Deleyn Daniel
  • De Maesschalk Hugo
  • Derniers-Willems
  • Desmidt Fernand
  • Deutzmann Marianne
  • De Wulf Robert
  • Dewulf Roger
  • Dezutter Peter
  • Dhondt Luc
  • D’Hondt Yolande
  • Dhooghe G.
  • D’Hooghe Lucien
  • D’Hooghe Michel
  • Dossche Stefan
  • Driesens
  • Fockenier A.
  • Gaelens F.
  • Geeraerd Guy
  • Geerinckx Jo
  • Geernaert Maurice
  • Genard Monique
  • Ghekiere Marc
  • Goethals M.J.M.
  • Goevaers (A.M.A.C.)
  • Goffin E.H.
  • Gravin Ph. Lippens-Houtart
  • Gysel Freddy
  • Herpels Pauwel
  • Hongenaert R.
  • Jacxens J.
  • Janssens Leon
  • Janssen W.
  • Klincke Jean
  • Landschoot C. Mevr.
  • Lierman Lisette
  • Graaf Leopold Lippens
  • Graaf Maurice Lippens
  • Lucieer J.
  • Maas Achiel
  • Maertens William
  • Mille
  • Morbee T.
  • Noppe Frans
  • Ockier Danny
  • Parmentier Yves Mme.
  • Paters Dominikanen
  • Pauwaert Bierhandel
  • Peeters J.
  • Peperstraete-Van Hecke
  • Proot Omer Wed.
  • Retsin J.
  • Rohaert O.
  • Rotsaert-Dewandel
  • Rotsaert Robert
  • Ryelandt M.
  • Schmid R.
  • Segaert Dominiek
  • Segers Willy
  • Snauwaert Freddy
  • Sneppe D.
  • Soete Willy
  • Soubry Y.
  • Studiebureau Lobelle
  • Teerlinck Jo
  • Theisen André
  • Thiel B.
  • Van Clee L.
  • Van Den Bosch W.
  • Van Der Avoirt
  • Van De Velde Jacques
  • Van De Velde Pierre
  • Vanhonsebrouck Paul
  • Van Houtte Paul
  • Van Isacker Brigitte
  • Van Leenhove R.
  • Vannetelbosch J.F.
  • Van Quathem Ch.
  • Van Renterghem G.
  • Verhelst-Vandierendonck
  • Verleye André
  • Verleye Frank
  • Vervarcke C. Wed.
  • Violon J.
  • Vlaeminck Etienne
  • Waeghe Diana

 

Scheepsrampen aan de Vlaamse Oostkust - Deel 13

Erik F. Baeyens

Cnocke is Hier
2000
37
047-057
Leonore Kuijken
2020-03-02 15:05:06

Afdrukken E-mailadres

HoofdpuntenInterresante rubriekenZoekenAndere informatie
Startpagina
Activiteiten
Nieuws
Gastheerschap
Musea in de Zwinregio
Kustmusea
Geschiedenis
Reecz
Publicaties heemkunde
Tijdslijn
Bibliotheek
Europese projecten
Raakvlak
Contact
Copyright © 2020  - Zwinstreek.eu - Alle rechten voorbehouden.