headerbg bl
HomeGeschiedenisKnokke-HeistGeschiedenis Knokke-Heist

Geschiedenis Knokke-Heist

Kerkelijke organisatie

Vanaf het midden van de achtste eeuw begonnen de landelijke kerken die gebouwd waren door landheren of abdijen zich meer los te maken van de bisschoppelijke voogdij. De abdijen die de nieuwe parochies stichtten, bleven het patronaatsrecht en het tienderecht behouden.

Het patronaatsrecht bestond er in dat de abt de benoeming van een pastoor kon voorstellen aan de bisschop die de benoeming moest bekrachtigen, dat men de pastoor onderhield, dat men alle inkomsten van de parochie ontving, dat men de patroonheilige aanduidde en dat men alle kosten voor het onderhoud van de kerk betaalde.

Oorspronkelijk had de Sint-Donaaskerk van Brugge het patronaatsrecht van Lissewege, maar vanaf 1119 behoorde dit recht aan de Sint-Bertijnsabdij uit Sint-Omer. Aangezien de parochies Koudekerke en Knokke gesticht werden vanuit Lissewege, verkreeg deze abdij dan ook het patronaatsrecht over deze nieuwe parochie.

De tienden, een soort belasting die bestond uit een tiende van de oogst, werden in Heist samengebracht in de grote schuur van het Tiendehof in Koudekerke. Voor de kerk in Koudekerke werd Sint-Antonius-Abt gekozen als patroonheilige. Onder invloed van de Antonieten was deze heilige zeer populair in de 12de eeuw.

Zoals reeds werd gezegd bezat de Sint-Bertijnsabdij ook het patronaatsrecht over de Sint-Katarinaparochie die in 1253 werd gesticht in Knokke. De officiële tekst luidt : We delen de parochie Koudekerke wegens haar uitgestrektheid in twee. We verheffen de kapel van Knokke, die binnen de grenzen van de genoemde parochie staat, tot doopkerk. We stellen de kapelaan, die totnogtoe in de bedoelde kapel, in naam van de abt, de mis opdroeg, als zielzorger van de nieuwe parochie aan. Als patroonheilige werd Sint-Katarina van Alexandrië gekozen.

Naast de kapel stond ook een hospitaal. Dit hospitaal diende waarschijnlijk als logeerplaats voor reizigers, handelaars, zeelieden of bedevaarders. De tienden van de nieuwe parochie werden ook verzameld in de tiendeschuur van Koudekerke.

De parochie Westkapelle kwam voor uit de parochie Oostkerke die onder het patroonaatschap stond van de Sint-Kwintensabdij uit Vermandois. Deze abdij had mogelijk een verblijfplaats in Monnikerede (Oostkerke). De tienden uit Westkapelle werden naar de tiendeschuur in Oostkerke gebracht.

Het patronaatschap van de parochie Ramskapelle behoorde aan het kapittel van Sint-Donaas in Brugge, zoals dat ook het geval was bij de moederparochie Dudzele.

Onze parochies behoorden tot het bisdom Doornik. Het bisdom zelf was verdeeld in de Franstalige aartsdiakenij Doornik en de Nederlandstalige aartsdiakenij Vlaanderen. In de 13de eeuw kreeg men de indeling in de aartsdiakenijen Gent, Brugge en Doornik. De aartsdiakenij Brugge werd in 1331 op haar beurt verdeeld in de dekenijen Brugge, Aardenburg en Oudenburg. De parochies Westkapelle, Ramskapelle, Heist en Knokke lagen allen binnen het territorium van de dekenij Brugge.

Naargelang de bevolking aangroeide stelde deze structuur meer problemen omdat het bisdom te groot was, zich uitstrekte over de staatsgrenzen en de taalgrens... Daarom werd gestreefd naar een meer praktische indeling. Deze nieuwe indeling kwam er onder de regering van Filips II in 1590.

Deze vernieuwing werd mede ingegeven door de bezorgdheid om het katholieke geloof beter te beschermen tegen het oprukkende calvinisme. In de Nederlanden werden toen veertien nieuwe bisdommen, waaronder het bisdom Brugge, ingericht.

De inkomsten van het nieuwe bisdom werden verkregen uit het patronaatsrecht van de parochies die voordien onder het patronaatsrecht vielen van het kapittel van Sint-Donaas, zoals de parochie Ramskapelle, of onder het patronaatsrecht van de abdij van Sint-Bertijn, zoals Knokke en Heist. Oorspronkelijk was voorzien dat de parochies Heist en Ramskapelle in de dekenij Damme lagen en Westkapelle en Knokke in de dekenij Sluis. Door de afscheiding van de Noordelijke Nederlanden, waar ook Sluis bij behoorde, moesten de dekenijen hertekend worden waardoor ook Knokke en Westkapelle bij de dekenij Damme kwamen.

Deze reorganisatie kon echter niet verhinderen dat onze parochies voor enkele jaren (1579-1584) onder een calvinistisch beheer kwamen. De calvinistische organisatie was een lekenorganisatie, die in tegenstelling tot de Katholieke Kerk, bestond uit raden op plaatselijk, regionaal, provinciaal en nationaal vlak en waarvan de leden werden verkozen door de inwoners van hun gemeente.

Na de verovering van Damme en Brugge door Farnese in 1584, verdween het Calvinisme geheel uit onze parochies. De Katholieke Kerk herstelde zich van de zware klappen die zij had moeten verwerken, door de besluiten van het Concilie van Trente (1545-1563) uit te voeren.

Het Concilie had als doel de contrareformatie op gang te brengen. Concrete maatregelen waren de betere zorg voor de priesteropleiding door het oprichten van seminaries, het opstellen van een Catechismus, de verplichting van de pastoors om doop-, huwelijks- en begrafenisregisters bij te houden, de regelmatige bezoeken van de dekens en de bisschoppen aan de parochies (dekanale visitaties), enz...

Het herstel van de Katholieke Kerk in onze parochies merkt men aan de heropbouw en het herstel van de parochiekerken die veel geleden hadden van plunderingen in de Godsdienstoorlogen op het einde van de zestiende eeuw. In 1618 werd het nieuwe hoogaltaar van de Sint-Niklaaskerk van Westkapelle gewijd. In de parochierekeningen van de volgende jaren (1625-1634) vindt men vele gegevens over de wederopbouw van de kerk : toren en dak werden hersteld, het portaal werd herbouwd...

Het herstel van de kerken van de parochies Heist en Knokke vroeg meer tijd omdat deze kerken meer hadden geleden in de voorbije periode. De kerk van Heist had zelfs enkele jaren als paardenstal gediend voor een afdeling Spaanse ruiters die in Heist verbleven.

Vanaf 1614 kon de kerk terug als bidplaats in gebruik worden genomen en vanaf 1629 werd de hele kerk opgekalefaterd : metsen van muren, plaatsen van nieuw altaar, herstel van toren, leggen van nieuw schaliedak, plaatsen van een doopvont en preekstoel, maken van nieuwe deuren, plaatsen van een nieuwe torenhaan, het aankopen van cultusvoorwerpen, enz... Als deze uitgavenposten kan men in de kerkrekeningen van Heist terugvinden in de periode 1629-1632.

In Knokke was de kerk terug bruikbaar omstreeks 1600. Het eigenlijke herstel van de kerk werd uitgesteld tot er vrede heerste in de streek. In 1612 kocht de pastoor misgewaden, missalen en een altaarsteen zodat mag worden aangenomen dat opnieuw mis kon gelezen worden. De kerkrekeningen voor de volgende periode (1613-1632) bleven niet bewaard, maar uit het verslag van de dekanale visitatie van 1619 kan men afleiden dat men geen doopvont en geen kast om de ornamenten in op te bergen, had en dat ook de klokken ontbraken. Belangrijk is wel dat de deken sprak over de patrones Sint-Margareta die blijkbaar Sint-Katarina had opgevolgd als patrones.

Naast de zorg voor de kerken bestond ook een grote zorg voor de priesters. In de eerste jaren na het herstel waren er nog onvoldoende pastoors zodat één pastoor soms meerdere parochies moest bedienen. Ook werd dikwijls beroep gedaan op paters en broeders. Zo bediende Jan Bonne tot 1597 de parochies Knokke, Heist en Ramskapelle. Zijn opvolger, de minderbroeder J.B. Plaisier, was in 1597 aangesteld als pastoor van Heist, maar hij bediende ook Knokke. Nog in 1635 bediende Willem Desmet (‘Faber’) de parochies Ramskapelle, Knokke en Heist.

Vanaf 1619 bezocht de deken regelmatig de parochies van zijn dekenij. Ook dat was één van de gevolgen van het Concilie van Trente. De deken moest van elk bezoek een uitvoerig verslag opmaken zodat de kerkelijke overheid steeds een duidelijk overzicht had van het kerkelijk leven in het bisdom. De dekanale visitatieverslagen van na 1650 zijn meestal vrij positief over onze parochies.

Vanaf 1671 kwam zelfs een onderpastoor tijdelijk in dienst in Westkapelle. Ook werd de kerk goed onderhouden. Een deel van het dorp en de toren van Westkapelle brandden echter af in 1675, maar de toren werd, na veel discussies over de betaling en de subsidies in 1701, terug opgebouwd.

De toestand van de kerkelijke organisatie was goed tijdens de tweede helft van de 17de en de gehele 18de eeuw. Elke parochie had zijn eigen pastoor en de kerken werden zo goed mogelijk onderhouden.

Ook onder Jozef II (1780-1790), die omwille van zijn vele kerkelijke bemoeienissen Keizer-Koster werd genoemd, veranderde weinig in onze parochies. Aan deze lange en rustige periode van het kerkelijk leven kwam een plots einde na het uitbreken van de Franse Revolutie. Onder de slogan vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid werd een harde strijd gevoerd tegen de kerk en de adel. Vele Franse priesters vluchtten eg uit Frankrijk. In Oostkerke leefden in 1795 zelfs drie ondergedoken Franse priesters. Zij waren in 1791 gevlucht en hadden over Vlaanderen en Duitsland uiteindelijk Rotterdam bereikt vanwaar zij met een schip naar Sluis voeren. Vanuit Sluis reisden zij naar Oostkerke. Na enkele jaren trokken twee van hen terug naar Frankrijk terwijl pastoor-deken Blanchaert van Vleteren, onderdak vond bij pastoor Franciscus Lebeke in Heist, waar ook de gevluchte pater Celetin, een karmeliet uit Steenvoorde, ondergedoken leefde.

Toen na de slag bij Fleurus (26 juni 1894) de Fransen Brugge en het Brugse Vrije veroverden waren de geestelijken zeer verschrikt aangezien de Revolutionairen reeds in 1793 de Katholieke Kerk hadden vervangen door de aanbidding van de Godin van de Rede en de christelijke jaarrekening door de republikeinse. Vanuit het bisdom werden de pastoors aangemaand tot de nodige voorzightigheyd en discretie. De eerste jaren van de Franse bezetting bleef het echter rustig in onze parochies.

De katholieke feesten werden zoveel mogelijk vervangen door republikeinse. Zo organiseerde men in 1796 in Westkapelle de feeste van de natie, de feeste van de vrede en eene pligtige feeste, genaemt de la souverainité du peuple. Deze feesten hadden echter weinig succes bij onze bevolking.

Een van de eerste zaken die het centralistische Franse bestuur in handen wou krijgen waren de doop-, huwelijks- en begrafenisregisters die de pastoors, vanaf het Concilie van Trente, verplicht waren bij te houden. Op 8 augustus 1796 werden de parochieregisters van Westkapelle afgesloten en aan de burgerlijke overheid overgedragen. In Heist, Ramskapelle en Knokke gebeurde enkele dagen later hetzelfde en begon men met het aanleggen van de registers van de burgerlijke stand.

Na een nieuwe staatsgreep in Parijs op 4 september 1797 werden alle priesters, die beschouwd werden als staatsambtenaren, verplicht om de eed van haat aan de monarchie af te leggen : Ik zweer haat aan het koningdom en aan de regeringsloosheid, aangekleefdheid en getrouwheid aan de republiek en aan de grondwet van het jaar III. De meeste priesters in de dekenij Damme weigerden deze eed af te leggen en doken onder. Slechts 4 pastoors op 20 en 2 onderpastoors op 16 legden de eed af.

Voor zover gekend doken alle priesters van Westkapelle, Ramskapelle, Heist en Knokke onder. In Westkapelle legde pastoor De Neve nog eerst een verklaring af in zijn zondagpreek. Hij zei dat hij de eed weigerde en dat hij zou onderduiken omdat geen pastoor beter was dan een slechte. Ook vertelde hij zijn parochianen dat hij het zo zou regelen dat zij hem in noodgevallen altijd konden vinden. 'Heel de parochie weende en, na de hoogmis, omringden de boeren hunne herder, van alle kanten wenende ‘Zij maar gerust, mijnheer pastoor, we zullen u niet laten pakken’.

Ook de reeds genoemde pastoor Lebeke uit Heist dook onder. In het geheim bediende hij niet alleen Heist, maar ook een deel van de parochie Knokke waar hij tussen 1796 en 1803, 81 kinderen doopte. De Knokse pastoors Carolus Cools en Petrus Spittaal werkten ook in het geheim verder. Volgens de overlevering hielden zij hun kerkelijke diensten in de grote schuur van de hofstede van Vaucelles.

Dankzij een eerder gematigde administratie in het Leiedepartement, waartoe onze parochies hoorden, let men de ondergedoken priesters de eerste jaren met rust... Als wraak voor de Boerenkrijg werd de jacht op de onbeëdigde priesters geopend en werd een algemeen deportatiedecreet uitgevaardigd. Op 19 november 1798 hield men een algemene klopjacht in het Leiedepartement. Deze razzia had slechts weinig succes aangezien slechts 28 priesters uit het gehele bisdom werden gevat. Ook de parochiepriesters van het huidige Knokke-Heist konden ontsnappen.

Pastoor De Neve werd echter op 10 maart 1799 door één van zijn parochianen verraden. Samen met 34 andere Belgische priesters, werd hij naar Cayenne (Frans Guyana) gestuurd. Van daaruit ontsnapte hij met een twaalftal collega’s naar Nederlands Guyana. De ontberingen op zijn vluchtroute waren echter te groot geweest en hij stierf daar op 5 juni 1799.

Toen Napoleon Bonaparte in het begin van 1800 aan de macht kwam, werden alle priesters vrijgelaten. Waarschijnlijk kwam toen ook onderpastoor Devisch uit Westkapelle vrij. Nadat pastoor De Neve was gevat, zette de onderpastoor het werk gewoon verder tot hij op zijn beurt werd gevangen genomen in de loop van 1799. Hij bleef ongeveer een jaar opgesloten.

Napoleon streefde naar een concordaat of overeenkomst met de paus. In 1801 werd het concordaat gesloten maar één van Napoleons eisen was dat de bisdommen en parochies hertekend werden. Hierdoor moest het bisdom Brugge verdwijnen en werden onze parochies bij het bisdom Gent gevoegd. Onze parochies lagen dan in de dekenij Brugge.

De kerken werden heropend op Pinkeren (2 juni) 1802. Over het algemeen slaagde men er in de vroegere parochies te herstellen en waar het mogelijk was, zoals in Heist, Ramskapelle en Knokke, werden de vroegere pastoors in ere hersteld.

Een grote verandering voor de pastoors was dat, door de afschaffing van vele kloosters en het verlies van vele kerkelijke gronden, de pastoor niet meer vergoed werd uit kerkelijke inkomsten, maar een staatswedde kreeg.

Na de slag bij Waterlo kwamen onze parochies onder het Koninkrijk der Nederlanden. Net als zijn voorgangers Jozef II en Napoleon, probeerde ook koning Willem I de katholieke kerk zoveel mogelijk onder zijn gezag te brengen.

In tegenstelling hiermee voorzag de nieuwe Belgische grondwet in 1831 een volledige scheiding van Kerk en Staat. Dit betekende o.a. dat de Staat geen controle meer uitoefende op de benoeming van bisschoppen en pastoors, dat de religieuze orden die onder de Franse Periode waren afgeschaft, terug bestaansrecht kregen,... Wel bleef de staatsbezoldiging van de priesters bestaan.

In 1834 werd het bisdom Brugge terug opgericht. De parochies van het huidige Knokke-Heist bleven tot 1853 onder de dekenij Brugge. Daarna ressorteerden zij onder de nieuw opgericht dekenij Brugge-Noord.

De scheiding tussen Kerk en Staat verliep niet zo vlot. Omdat volgens art. 117 van de grondwet de wedden van de geestelijken ten laste van de staat vielen, weigerde de gemeente Heist nog verder een toelage te betalen aan pastoor De Muynck. De kerkfabriek wou hem ook het stoelgeld niet meer afstaan en de pastoor mocht ook de was voor de kaarsen niet meer leveren omdat hij een te grote winstmarge voor zich nam. Na heel wat ruzie werd pastoor De Muynck vervangen door pastoor C.L. Van Schoebeke. Ook deze pastoor vroeg nog een bijkomende toelage van 300 fr. aan de gemeente. Deze weigerde met vijf tegen twee stemmen, met de volgende argumenten : zij vonden dat de staatswedde, aangevuld met de opbrengst van de kerkelijke diensten, groot genoeg was, bovendien had de pastoor een ruime pastorie en een schone hoveniershof.

Burgemeester Schoutteeten was van ambtswege lid van de kerkfabriek waarvan hij ook de ontvanger was. Pastoor C.L. van Schoebeke weigerde de burgemeester nog verder uit te nodigen op de vergaderingen en hij riep zelfs van de preekstoel af dat de kerkfabriek een nieuwe ontvanger had.

De ruzie werd beslecht met de overplaatsing van pastoor Van Schoebeke in november 1839. Zijn opvolger E.H. J. Van Steenkiste kreeg, na tussenkomst van de bisschop en van de provinciegouverneur, een bijkomende toelage in 1840.

In de negentiende eeuw groeide bevolking vrij snel aan, darbij kwamen in Heist nog de eerste toeristen, zodat de bestaande kerken te klein werden. Achtereenvolgens werden de kerken van Knokke, Heist, Ramskapelle en Westkapelle vergroot.

In Knokke besprak de kerkfabriek de uitbreiding van de kerk in 1841. Men moest echter bijna 10 jaar wachten voor architect Buyck zijn plannen kon maken en de kerk met twee zijbeuken van elk 6 traveeën werd vergroot. In 1854 kon de vernieuwde Sint-Margaretakerk ingewijd worden.

Ook de kerk van Ramskapelle werd vernieuwd. Ook hier deed men beroep op architect Buyck en in 1863-1864 vernieuwde men het koor en de beuk van de Sint-Vincentiuskerk.

In Heist dacht men er eerst aan om het bestaande kerkje uit te breiden maar in 1875 besloot men dan toch om het oude kerkje af te breken en een nieuwe te bouwen, dichter bij het centrum. Er kwam echter een beweging op gang om het vroeggotische torentje te restaureren. De administratieve rompslomp bleef echter zo lang aanslepen dat de oude toren helemaal vervallen was. Het gemeentebestuur oordeelde in 1884 dat het torentje om veiligheidsredenen mocht gesloopt worden.

Ondertussen was een nieuwe Sint-Antoniuskerk gebouwd, dichter bij het dorpscentrum, op grond die gekocht werd van mevr. Hermans-Lybaert. Eén van haar eisen was dat de straat naast de kerk naar haar werd genoemd. Op 18 september 1871 legde bisschop Faict de eerste steen en op 13 april 1875 kon hij de nieuwe neogotische kerk inwijden. De spitse kerktoren werd pas in 1887 afgewerkt.

Enkele jaren later (1902) had men bouwplannen in Westkapelle. Ook hier waren de bevolkingsaangroei van de parochie en de nodige herstellingswerken aan de kerk, de redenen. Vooral onder de stimulans van de dynamische pastoor Lagace werden de uitbreidingsplannen opgemaakt. Door de tussenkomst van de heer De Flou ontdekte men de oude plannen van de kerktoren in de archieven van Ieper. De toren werd dan ook hersteld naar het oorspronkelijke uitzicht van 1407. Aan de kerk bouwde men een volledig nieuwe westkant.

In oktober 1906 begonnen de werken met het verhuizen van de lijken die op het oude kerkhof rond de kerk lagen naar het nieuwe kerkhof dat in 1896 in gebruik was
genomen in de Moriaanstraat (huidige Westkapellestraat). Monseigneur Waffelaert, bisschop van Brugge, kwam de vernieuwde kerk inwijden op 16 augustus 1908.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was de Sint-Margaretakerk van Knokke beschadigd en reeds kort na de oorlog bleek het kerkje ook nog te klein. Men besloot een nieuwe kerk te bouwen, maar als herinnering bleef het 23 meter hoog torentje van de oorspronkelijke veertiende eeuwse kerk bewaard.

Torens St.-Margarethakerk

De Antwerpse architect J. Ritzen tekende de plannen van de nieuwe kerk naar het voorbeeld van een reusachtige basilica. Mgr. De Smedt, bisschop van Brugge, legde in 1955 de eerste steen en in 1958 kwam hij de nieuwe kerk inwijden.

| inhoudstafel |

Afdrukken E-mailadres

De Calvinistische periode

De Calvinistische periode in de parochies van Knokke-Heist vormt een apart hoofdstukje. Deze woelige jaren waren een breekpunt waarvan men de sporen terugvindt in vele aspecten van de lokale gemeenschappen.

Toen Luther in 1517 openlijk stelling nam tegen de toenmalige paus, was dat het startsein voor een religieuze beweging die zich de volgende eeuw in heel West-Europa zou verspreiden en de gevestigde Katholieke Kerk zou verscheuren. Deze beweging bereikte reeds vrij vroeg onze streken. In Brugge werden in 1525 enkele personen ter dood veroordeeld om hun Luthers geloof. In 1535 wordt melding gemaakt van een zekere Marcus Cornelizen uit Westkapelle die doopsgezind was.

Het lutheranisme heeft bij ons nooit veel succes gekend, in tegenstelling met het Calvinisme dat pas dertig jaar later onze parochies bereikte, maar ook een veel grotere invloed had. De aanhoudende repressie van Filips II tegen het nieuwe geloof, leidde in 1566 tot de Beeldenstorm die zich vanuit de Westhoek over grote gebieden in Vlaanderen verspreidde. De parochiekerken van Westkapelle, Ramskapelle, Heist en Knokke bleven gespaard, maar hun geluk was echter van korte duur.

Als reactie op de Beeldenstorm stuurde Filips II de hertog van Alva naar onze gewesten. Zijn harde optreden tegen de protestanten leidde tot een grote uitwijking. Bovendien maakten de Watergeuzen de streek onveilig. Zij voerden hun guerilla-activiteiten uit vanuit de Noordnederlandse havens, bv. Vlissingen, waarbij zij de Vlaamse vissers beroofden en de kuststreek plunderden met de bedoeling om de militaire macht van Alva te breken.

Vanaf 1568 trok men regelmatig de torenwacht op in Knokke en Heist waar in 1571 ook nog een Spaanse compagnie werd gelegerd. In dezelfde periode riep men alle weerbare mannen van het Brugse Vrije op om de kustwacht te verzorgen. Deze maatregelen konden niet beletten dat de watergeuzen in 1572 landden op de kust van Knokke en Heist. De mislukking van de verdediging was o.a. te wijten aan het feit dat vele inwoners van onze parochies sympathiseerden met de opstandelingen.

De parochie Heist werd het zwaarst getroffen. Niet alleen werd de visserij bemoeilijkt en zelfs onmogelijk gemaakt, maar op 30 november werd de parochie by de rebellen van Vlissynghe berooft ende verbrandt. Een deel van het Noorddorp, de kerk en de pastorie gingen in de vlammen op. In Knokke staken de invallers enkele hoeven o.a. de hoeve Wit Huis (langs Graaf Jansdijk, bij de Vrede) en een hoeve die daarna de Verbrande Hoeve (langs Graaf Jansdijk, in bocht na de Molen van Het Kalf) werd genoemd, in brand.

De strijd werd met wisselend succes verder gezet tot op 30 december 1576 de Pacificatie van Gent werd gesloten. Belangrijke punten in het verdrag zijn : amnestie voor de opstandelingen, de Spaanse troepen vertrekken uit de Nederlanden, vrijheid van beweging, de gereformeerde godsdienst werd toegelaten in Holland en Zeeland, garanties voor de katholieken in de protestantse gebieden. Deze belangrijke stap naar vrede werd afgebroken toen op 28 oktober 1577 een Calvinistische ‘staatsgreep’ plaatsvond in Gent. In maart 1578 kwam de stad Brugge in Calvinistische handen, maar de stad aanvaarde op 8 november de Religievrede waardoor de Calvinistische en Katholieke gemeenschap naast en met elkaar konden leven.

Het Brugse Calvinistische stadsbestuur drong aan dat de Religievrede ook door het Brugse Vrije erkend zou worden. Deze erkenning kwam er op 14 mei 1579 en maakte de oprichting van Calvinistische gemeenschappen mogelijk in onze parochies. De inwoners van de parochies waren hoofdzakelijk arme mensen die zich niet onmiddellijk bemoeiden met godsdienstzaken, maar die vooral verlangden naar vrede.

In vele parochies uit het Brugse Vrije werd de plaatselijke pastoor vervangen door een protestants ‘minister’. In Westkapelle was de Noordhollandse Inghel van Egmont pastoor vanaf 1575. In 1576 ging hij over tot het Calvinisme. Hij huwde met zijn huishoudster en werd predikant in Heist. Opmerkelijk is dat de vroegere pastoor van Westkapelle, de blinde Adriaan de Ruwe, nog in Westkapelle verbleef en zelfs alimentatie kreeg van het kerkbestuur. Dit wijst op een zekere verdraagzaamheid.

De overgang van pastoor naar minister was mogelijk gemaakt door de Generale Synode van Dordrecht (1578) met als voorwaarde dat de kandidaten eerst een test moesten afleggen omme hare suyverheyt ende bestendicheyt in der leere ende oprechtheyt des levens te onderzoeken.

Voor Ingel van Egmont (Engelbertus Egmondanus) bestond deze proef uit enkele preekoefeningen over een vooraf bepaald onderwerp.

In december 1579 werd Tilmannus Cupus, die afkomstig was uit Keulen en reeds predikant was geweest in Lo, predikant in Westkapelle en Ramskapelle. Wanneer hij in 1581 terugkeerde naar Lo, werd Westkapelle een tijd bediend door predikanten van omliggende gemeente. Joannes Vos, geboren in Roermond en een tijd predikant in Diksmuide, volgde Cupus op in Ramskapelle. In 1582 verhuisde hij naar Meetkerke.

Vanaf 1581 bediende de Calvinistische minister Baltasar Van Dycke uit Den Briel, Knokke. Het volgend jaar reeds volgde Joos van de Rosiere, die ook predikant was in Kadzand, hem op. Baltasar moest ook nog om de veertien dagen gaan preken in Sint-Anna-ter-Muiden.

In het korte overzicht van de predikanten valt onmiddellijk op dat zij allemaal afkomstig zijn van buiten Vlaanderen, dat sommigen eerst in de Westhoek, de bakermat van de Beeldenstorm, hadden gepredikt, dat zij regelmatig verhuisden en dat zij soms twee parochies tegelijk moesten bedienen wat op een duidelijk tekort aan eigen predikanten wijst.

Een van de eerste bekommernissen bij het oprichten van de Calvinistische gemeenten was het aanpassen van de katholieke kerken. Beelden, schilderijen, doopvonten, altaren, orgels, doksalen enz. werden verwijderd of vervangen. In de kerkrekeningen van Westkapelle vindt men de verkoop terug van twee zilveren cibories en een kelk. Tevens deed men uitgaven over trepareren ende effenen vande kercke ende de kerkmuren. Ook in Heist verkocht men diveersche houten gebrocken in de kercke en van ’t metael, waarschijnlijk afgedankte cultusvoorwerpen. Het verwijderde meubilair werd vaak vervangen of hersteld. In Westkapelle herstelde men de preekstoel en plaatste men verschillende banken.

De Calvinistische organisatie was een lekenorganisatie die totaal verschilde van de katholieke hiërarchische organisatie. De ‘broeders’ van de plaatselijke gemeenschap kozen de predikant die belast werd met de herderlijke zorgen. De ouderlingen hadden de taak om toezicht te houden, de diakens hielden zich bezig met de armenzorg en de koster met het onderwijs.

Elke gemeenschap had zijn afgevaardigden in de ‘classis’, een regionale vergadering. De parochies van Knokke, Heist, Ramskapelle en Westkapelle behoorden tot 1581 tot de classis Brugge, vanaf 1581 tot de classis Sluis. De regionale classis was vertegenwoordigd in de provinciale synode die op zijn beurt een afgevaardigde had in de Nationale synode.

In de Calvinistische periode vierde men geen eucharistievieringen, maar wel, om de twee maanden, een Heilig Avondmaal. Wekelijks kwamen de broeders samen voor een preek die hoofdzakelijk een bespreking was van het evangelie. Alle heiligendagen werden afgeschaft met uitzondering van Kerstmis en Hemelvaart. In het Calvinisme was geen plaats voorzien voor doopsels en begrafenissen. Onze voorouders hielden daar wel aan.

Deze toestand vormde een probleem voor de Spaanse koning Filips II die enkel het katholicisme wilde dulden. De Calvinistische gebieden moesten dan ook kost wat kost heroverd worden. Deze operatie werd uitgevoerd door de gouverneur-generaal Alexander Farnese die de volledige Zuidelijke Nederlanden heroverde. Toen hij in 1584 Brugge en Damme bezette betekende dit het feitelijke einde van het Calvinisme in onze parochies.

Sluis en Oostende bleven nog een aantal jaren in Calvinistische handen. De beide steden dienden als uitvalsbasis voor vele plundertochten. Sluis werd op 5 augustus 1587 ingenomen na een hardnekkig verweer.

Prins Maurits van Oranje ondernam een laatste poging om het Brugse Vrije onder zijn bewind te brengen. Hij landde met een lager van 4000 man op de kust van Knokke en hij probeerde op 25 november ’s nachts Brugge te bereiken met zijn leger. Zijn poging mislukte echter en de prins moest zich met zijn manschappen terugtrekken.

Het protestantisme verdween vrij snel uit onze parochies. Na een onderzoek in 1610 in het Noordvrije werden 21 personen aangeklaagd omwille van hun godsdienst, o.a. 8 uit Westkapelle, 1 uit Knokke en 1 uit Heist. Slechts 2 personen kwamen voor de rechtbank.

De dekanale visitatieverslagen voor 1639-1642 leren ons dat er geen ketters meer waren in de parochies van Knokke-Heist. Wel wordt vermeld dat twee ‘verdachten’ uit Westkapelle kort tevoren vertrokken zijn naar de Noordelijke Nederlanden.

Zeker in Westkapelle bleven vele contacten bestaan met inwoners van het protestantse Sluis. Zo trokken de Westkapelse boeren regelmatig naar de markt van Sluis, zelfs als deze op een katholieke hoogdag viel. Katholieken die in Sluis woonden, kwamen vanaf het midden van de 17de eeuw, op zon- en feestdagen, de katholieke erediensten bijwonen in Westkapelle. Deze contacten bevorderden de verdraagzaamheid tussen de twee godsdiensten. Of was deze verdraagzaamheid enkel een camouflage voor onverschilligheid of pragmatisme van onze voorouders ?

Men trad verdraagzaam op tegen Calvinisten die vanuit de katholieke grensparochies de protestantse diensten gingen bijwonen in de Noordelijke Nederlanden. Dat was vooral duidelijk in de houding t.o.v. enkele Calvinistische families die door de grenscorrecties van 1664 plots van Sint-Anna-ter-Muiden in Westkapelle kwamen wonen. De pastoor vroeg raad aan de bisschop om zijn houding te bepalen omdat hij vreesde dat het katholiek personeel ‘besmet’ zou worden door het Calvinisme. Bisschop de Baillencourt raadde hem aan om zeer verdraagzaam te zijn zodat ook de belangen van de katholieken die in het Calvinistisch gebied woorden, niet zouden geschaad worden. Deze houding is typerend voor de houding vanaf de tweede helft van de 17de eeuw en betekende het feitelijk einde van de godsdienstproblemen in onze streek.

| inhoudstafel |

Afdrukken E-mailadres

Parochiaal en religieus leven

Over het parochiaal en religieus leven in de vroegste parochies van Knokke-Heist is zeer weinig gekend in de periode voor de 16de eeuw. Men weet zelfs niet waar de Sint-Katarinakapel van Knokke, die sinds 1253 dienst deed als parochiekerk, precies heeft gestaan. In 1455 wordt voor het eerst gesproken over de Sint-Margarethakerk.

Uit eenzelfde document leren we dat Knokke het in 1455 een tijdje zonder pastoor en koster moest stellen en dat men in de parochie Heys alias Coudekercke Matteus Malehier als pastoor en Jan Beelsone als koster-schoolmeester had. Dit betekent dat in Heist een parochieschool bestond.

In hetzelfde jaar 1455 was Nikolaas Lauwaert pastoor van Ramskapelle. Pastoor Lauwaert was waarschijnlijk een pastor primitivus wat inhoudt dat hij de inkomsten, verbonden aan het ambt van pastoor van Ramskapelle ontving, mar dat hij niet in Ramskapelle verbleef. Hij betaalde dan een vicarius perpetuus die het werk in zijn plaats deed.

Uit enkele toponymische bronnen kan men de processieweg zowel van Heist als van Knokke reconstrueren. Aangezien de Pannendijk ook Processieweg of Sakramentsdijk werd genoemd en dat men langs daar het Sticxkin daer men s woendaechs in de Syncxsche daghen op preeict metter processien bereikte, kwam de processie daar voorbij. Het bedoelde sticxkin lag tevens op het einde van de Processieweg van Knokke.

Dat de processiewegen van de beide parochies een raakpunt hadden, verwijst naar het feit dat Heist moederparochie was van Knokke. De Knokkenaren gingen daarom mee in de processie van Heist en omgekeerd. Aangezien Heist op zijn beurt was voortgekomen uit de parochie Lissewege, gingen de Heistenaars mee met de Onze-Lieve-Vrouweprocessie van Lissewege. Een eerste vermelding hiervan wordt pas op het einde van de 16de eeuw gevonden, maar men mag aannemen dat het toen reeds een oude traditie was.

In 1527 moesten alle pastoors een rapport opstellen over de aard van hun inkomsten. Pastoor Relays van Knokke gaf de verschillende tarieven op voor een huwelijk, een doop, een kerkgang, een mis bij een kinderbegrafenis, om bij daghe of bij nachte the ghane metten sacramente ofte heleghe olye.

Bij het overlijden van een grote boer werd hij betaald om de volgende diensten op te dragen : een vigilie met 9 lezingen, een uitvaartmis met 9 lezingen en ‘commendocie’ en 15 zielemissen. Daarnaast had de pastoor nog enkele ontvangsten van missen die hij opdroeg voor een jaargetijde. Hij ontving ook nog een pacht van een stukje grond in de Papenpolder (deel van de Hoge Polder of Volkaartsgote, dat dichtst bij de kerk lag – omgeving Gemeenteplein-Judestraat).

Pastoor Relays reclameerde dat hij niets terugkreeg van de tienden die werden geïnd voor de Abt van Sint-Bertijns die het patronaatsrecht had van Knokke, en dat niettegenstaande hij elke zon- en feestdag een hoogmis opdroeg en ook de metten en de vespers las. Daarom vroeg hij opslag tzy van thienden of anders. Hij dreigde er ook mee om in andere parochien ghelyck Heys oft Westcapelle dienst te zoucken.

De pastoor van Heist zat er inderdaad beter voor. De tarieven voor de diensten waren ongeveer dezelfde maar de parochie had veel meer inwoners en ook meer inkomsten uit jaargetijden en fundaties. De pastoor moest wel alle dagen de mis celebreren op het hoogaltaar.

Ook de pastoor De Corte uit Ramskapelle kloeg in 1527 over zijn inkomsten die volgens hem gedaald zijn omdat het aantal parochianen de laatste 30 à 40 jaar verminderd zijn van 260 tot 130 communicanten... Uit zijn overzicht blijkt dat men in Ramskapelle, naargelang men betaalde, kon kiezen uit drie soorten begrafenissen, maar de pastoor verklaarde daarbij van theluut en es gheen differencie aangezien de kerk maar één klok had. De pastoor breidde ook iets meer uit over zijn prestaties : hoogmis zingen op zon- en feestdagen, gebeden lezen, vespers en metten zingen op de heiligendagen, op het feest van Sint Johannes de Doper, op onser vrouwen dagen, op de feestdagen van de apostelen, op de feestdag van Sint-Laureins, van de H. Vincentius en van Maria Magdalena. Daarenboven had hij veel werk met het bezoeken van de zieken de welcke zeere lastich ende dangereux es, principalicx in reynich en vuul wedere.

Ook de pastoor van Westkapelle begon zijn rapport met te klagen dat hij niets ontving van de tienden die naar de Abt van Sint-Kwintin in Vermandois, gingen. En dat terwijl de pastoors van Lapscheure, Oostkerke en Moerkerke, die ook van dezelfde abdij afhingen, wel inkomsten kregen uit de tienden. Daarna gaf hij een overzicht van de tarieven voor de verschillende diensten. Opmerkelijk is dat de pastoor gratis de kinderen doopte, tenzij het bastaarden waren, dan moest men wel betalen.

De bronnen vertellen weinig of niets over het religieus leven in de parochies. Pas in de late 16de eeuw, toen het protestantisme veld won, krijgen wij enkele gegevens.

Meermaals waarschuwde het bestuur van het Brugse Vrije dat men in de strijd tegen de Watergeuzen niet voor honderd procent kon vertrouwen op de plaatselijke bevolking aangezien sommigen met de protestanten sympathiseerden.

Na de herovering van het Brugse Vrije door Farnese (1584) kon de contrareformatie doordringen in onze streek. De verplichting van de deken om regelmatig alle parochies te bezoeken, leverde ons de dekanale visitatieverslagen op die een schat aan informatie bevatten over het parochiaal leven.

Uit de dekanale verslagen van de 17de en 18de eeuw leren we dat men in Heist een speciale verering had voor Onze-Lieve-Vrouw en voor Sint-Anne. Onze-Lieve-Vrouw werd reeds lang vereerd als beschermheilige van de vissers. Ook droeg de pastoor speciale missen op voor het H. Sacrament, Sint-Antonius (patroon van de kerk), Sint-Jacob, Sint-Elooi, Sint-Hubertus en Onze-Lieve-Vrouw van de Rozenkrans.

Sint-Antonius-Abt was waarschijnlijk reeds vanaf het ontstaan van de eerste kerk in Koudekerke in de 11de eeuw patroonheilige. In deze periode werd de heilige speciaal aanbeden tegen de pest en tegen gezwellen die ook Sint-Antoniusvuur werden genoemd. Omwille van zijn zwijntje riepen de landbouwers de heilige ook aan tegen allerhande varkenskwalen of dierenziekten in het algemeen. Vanaf het einde van de 16de eeuw werd Sint-Antonius-Abt, samen met Sint-Rochus, Sint-Adriaan, Sint- Christoffel, Sint Sebastiaan en Sint Carolus Borromeus in het Brugse vereerd als pestheilige.

Waarschijnlijk bezat de kerk van Heist oorspronkelijk een relikwie van de patroonheilige. Deze relikwie moet in de loop der eeuwen (tijdens de godsdienstoorlogen ?) verloren zijn gegaan, maar in 1740 kreeg Heist een stuk van de rechterarm van de heilige. Een jaar later konden diegenen die op de feestdag van Sint-Antonius de hoogmis in Heist bijwoonden, een aflaat van 40 dagen verdienen.

Het staat ook vast dat Onze-Lieve-Vrouw een speciale ereplaats had in Heist. De Heistenaren woonden elk jaar de Onze-Lieve-Vrouwe-ommegang bij in Lissewege. Zij hadden zelfs het voorrecht om het miraculeuze beeld te mogen dragen. De Heistse vissers hadden zich lang voor de calvinistische periode verenigd in de Onze-Lieve-Vrouw-gilde (cfr. onderhoud Vierboete of vuurtoren) en in Heist stond ook het Onze-Lieve-Vrouwe-Huizeke, een kapelletje waar de parochianen een gebedje kwamen lezen. Ook de huidige Visserskapel is gewijd aan O.L.Vrouw (Stella Maris).

Omstreeks 1750 richtte men de Broederschap van de H. Rozenkrans op. Halfweg de 18de eeuw ontstonden in bijna de helft van de West-Vlaamse parochies broederschappen van de H. Rozenkrans onder stimulans van de dominicanen die dan ook maandelijks kwamen preken over de rozenkransverering. Waarschijnlijk hield men bij deze gelegenheden een kleine processie rond het kerkhof waarbij men het H. Sacrament en het beeld van Onze-Lieve-Vrouw meedroeg.

In Westkapelle vereerde men het H. Kruis, Sint-Antonius-Abt, Sint-Elooi (1 december), Sint-Niklaas (patroon van de kerk), Onze-Lieve-Vrouw en Sint-Rochus. De devotie tot Sint-Niklaas vermeerderde toen de bisschop in 1640 bepaalde dat iedereen die de relieken van Sint-Niklaas op 6 december kwamen vereren een aflaat van 40 dagen kon verdienen. Bij die gelegenheden baden de gelovigen vooral voor de uitroeiing van de ketterij, voor de eendracht onder de christenvorsten en voor de verheffing van ‘Onze Moeder de Heilige Kerk’. Het Kerkbestuur liet aflaatbrieven drukken. Volgens een getuigenis kwamen zoveel gelovigen naar Westkapelle dat de kerk te klein was en vier biechtvaders te weinig waren om iedereen de biecht af te nemen.

Een jaar later werd de confrerie van het H. Scapulier opgericht. De aanbidding van Onze-Lieve-Vrouw van Napels of van het Scapulier werd vooral gepredikt door de karmelieten. In het bisdom Brugge alleen al telde men 19 broederschappen van het H. Scapulier. In de tweede helft van de 18de eeuw bestond ook nog de Broederschap van het H. Sacrament in Westkapelle.

De relikwieën van Sint-Vincentius, de patroonheilige van Ramskapelle, werden uitgesteld op zijn feestdag. De gelovigen konden dan aflaten verdienen. In 1636 verkreeg de kerk van Ramskapelle van de Bisschop van Hertogenbos, de zegening van de broden onder de aanroeping van Sint-Hubrecht, bisschop en belijders, zoals de bewoners van de Ardennen plegen te doen. Sint-Hubertus is de patroonheilige en beschermheilige tegen de hondsdolheid, ook uitgebreid tot krankzinnigheid en tot dierenziekten. In het begin van de 17de eeuw stimuleerde het bisdom de verering van Sint-Hubertus. In de Sint-Salvatorskerk te Brugge bewaarde men een relikwie van de heilige.

Ook in Heist vereerde men Sint-Hubertus. Wanneer iemand door een dier was gebeten dan moest de beet verbrand worden met de opgewarmde sleutel van de H. Hubertus. Daarna bleven de dieren negen dagen opgesloten en zij kregen slechts een stukje gewijd Hubertusbrood per dag. Gedurende die periode bad men dagelijks vijf Onze Vaders en 5 Wees Gegroetjes.

In Ramskapelle bestond ca 1700 de zeer verspreide Broederschap van Onze-Lieve-Vrouw van de Zeven Weeën. Onder de 22 broederschappen die in 1716 in de dekenij Damme bestonden, waren 15 confrerieën toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw. In dezelfde periode kende men ook in Knokke een broederschap van Onze-Lieve-Vrouw van Zeven Smarten. Verder is weinig gekend over bijzondere vereringen in Knokke, tenzij dat men jaarlijks een ommegang hield op de feestdag van Sint-Margareta, de patroonheilige.

De volkse devotie kwam ook tot uiting in de vele processies die overal uitgingen. In de 17de en 18de hield men meestal een processie op het kerkwijdingsfeest, op de feestdag van de patroonheilige (kermis), op Sacramentsdag (of enkele dagen later). Daarnaast hielden de broederschappen nog dikwijls een maandelijkse korte processie rond het kerkhof.

Het was ook de gewoonte dat gelovigen de processie in de moederparochie bijwoonden en omgekeerd kwamen de gelovigen van de moederparochies naar de processie in de dochterparochie. Reeds werd gezegd dat de Heistenaren elk jaar naar de Onze-Lieve-Vrouw-Ommegang in Lissewege gingen. In Heist zelf ging de processie uit ter gelegenheid van de H. Sacramentsdag, op de feestdag van de H. Drievuldigheid en op de dag van de kerkwijding (zondag na Onze-Lieve-Heer-Hemelvaart). De grote feestdag voor Heist was telkens de woensdag na Sinksen. De Lissewegenaren en Knokkenaren, en vanaf 1660 de Ramskapellenaren, kwamen deze processie bijwonen. Ook werd reeds gezegd dat de processiewegen van Knokke en Heist elkaar raakten.

De processie van Knokke ging traditioneel uit op de zondag volgend op het feest van de H. Margareta (20 juli). Deze datum was ook de dag van de kerkwijding (en nu nog steeds de kermisperiode).

De belangrijkste feestdag in Westkapelle was duidelijk het feest van Sint-Niklaas (6 december). De kerkrekeningen vermelden dan ook regelmatig de post ordinaire theeren ghedaen op ste Niclaisdagh, den patron, byden heere pastor, kerckmeesters, sanghers en andere dienaers van de kercke. Na de mis deelde men krakelingen uit en de kerk was mooi versierd.

Na het instellen van de Broederschap van het H. Scapulier ging jaarlijks een tweede processie uit. Het kerkbestuur betaalde dan de vaendraghers tot 15 persoonen die de vaenen ende mirakels van H. Schapulier hebben omghedraghen in de solemnele processie.

De 15 vaandeldragers behoorden waarschijnlijk tot een broederschap van de H. Rozenkrans, aangezien die broederschappen meestal 15 vaantjes bezaten waarop de 15 mysteriën van de rozenkrans stonden afgebeeld.

De vele processies en ‘kerkmissen’ werden gevolgd door kermissen. Bekenden uit de omliggende parochies kwamen samen en men vierde feest. Dat dit dikwijls aanleiding gaf tot onregelmatigheden, blijkt uit de vele optredens van de overheid. Aan deze vele feesten werd een einde gemaakt door Jozef II die bepaalde dat per parochie maar twee processies mochten uitgaan. Eén van de twee moest plaatsvinden op Sacramentsdag, de tweede mocht vrij bepaald worden door de bisschop.

In zijn visitatieverslagen had de deken ook steeds aandacht voor de gelovigheid van de parochianen. De deken Jennyns bezocht in 1640 de parochie Westkapelle. Hij stelde vast dat de parochianen regelmatig de diensten bijwoonden en dat zij ook hun paasplicht vervulden. De schrik voor het protestantisme was nog levendig, want opgelucht kon hij noteren dat twee personen die zich niet met de voorschriften van de kerk konden verzoenen, naar Nederland waren uitgeweken. Ook was de gewoonte verdwenen dat de Westkapellenaren op de feestdagen naar de markt in Sluis trokken. Dit was af te raden omdat Sluis protestants was.

Alhoewel het catechismusonderricht niet zo goed was, was deken Jennyns toch tevreden over de parochie Ramskapelle toen hij schreef : Ze leven nagenoeg allen eensgezind ; er zijn geen koppighaards.

In Heist noteerde hij : Hier zijn 150 kommunikanten. De pastoor zegt dat zij allen hun paasplicht hebben voldaan. Hij verklaart dat alle functionarissen hun plicht vervullen. Er zijn geen openbare zondaars, niemand wordt verdacht van ketterij ; ook andere boosdoeners zijn er niet. Enkelen zijn traag op zon- en feestdagen. Ze worden verwittigd dat, indien ze zich niet beteren, ze aan de Curie zouden overgeleverd worden. Anderen hebben een harde kop, morren graag en wille het voor het zeggen hebben. Dit laatste is echter wat verminderd. Twee vrouwen worden als tovenaressen beschouwd. Dit moet onderzocht worden.

In Knokke stelde hij vast dat niet alle communicanten hun paasplicht vervulden. De pastoor zou de nalatigen vermanen.

Over de gelovigheid en kerksheid tijdens de Franse Periode (1794-1815) en onder het Verenigd Koninkrijk (1815-1830) is weinig gekend. Wel weten we dat de religieuze diensten werden verdergezet in de ‘Beloken tijd’, toen de pastoors moesten onderduiken voor de Franse bezetter.

De erediensten die door de Fransen werden ingesteld kenden weinig succes. Toch mogen wij aannemen dat het kerkelijk leven door de vele moeilijkheden van de voorbije periode en door de politieke tegenwerking voor een stuk werd verwaarloosd.

Door de nieuwe vrijheden van de nieuwe Belgische grondwet en door een actief beleid van de kerkelijke overheid werd het kerkelijk leven in de 19de eeuw opnieuw gestimuleerd. Processies gingen opnieuw uit, men bouwde vele kapelletjes, de kerken werden hersteld of uitgebreid, de heiligenverering groeide...

In Heist kende men nog steeds de verering van Sint-Antonius-Abt. In 1740 was de parochie opnieuw in het bezit gekomen van een relikwie van hun patroonheilige. Deze relikwie bestond uit het laatste lid van een vinger van de heilige. Aan de kerk van Heist werd een ‘schettekot’ geplaatst waarin de gelovigen giften konden plaatsen. Aangezien Sint-Antonius o.a. aanbeden werd tegen varkensziekten werden in het kot regelmatig biggetjes geplaatst. Deze biggetjes werden dan verkocht en de opbrengst diende om missen op te dragen. In 1854 werd de Broederschap van de H. Antonius Eremiet opgericht en op het einde van de 19de eeuw de maatschappij ‘Sint-Antonius Vrienden’, met als doel de varkenskwekers te verzekeren voor het eventuele verlies of ziekte van hun dieren.

In 1853 kreeg de parochies Heist nog een tweede devotie bij. Bisschop Caïmo schonk een aflaat voor de verering van het Kristusbeeld. De processies werden druk bijgewoond en waren aanleiding voor grote dorpskermissen. Vooral de processie van het H. Sacrament en de processie van Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaart of Half Oogst hadden succes.

In Westkapelle bestond de Sint-Jozefgilde en in Knokke werd in 1877 de Confrerie van de H. Franciscus-Xaverius ingesteld. Bij de gelegenheid kwamen de inwoners van de omliggende parochies naar Knokke. Omgekeerd gingen de Knokkenaren op bedevaart naar Dudzele en Ramskapelle. In Knokke kende men ook nog een Broederschap van het H. Hart van Jezus, van Onze-Lieve-Vrouw en van Sint-Margareta.

De Heistse vissersgemeenschap had reeds eeuwen een bijzondere verering voor Onze-Lieve-Vrouw. In 1854 werd in Heist een eerste visserskapelletje ter ere van Onze-Lieve-Vrouw ter Zee gebouwd, midden in de duinen, langs een ‘visserswegel’.

Toen dit kapelletje in 1868 moest verdwijnen voor de nieuwe spoorweg Brugge-Heist, werden plannen gemaakt voor een nieuwe kapel. In 1892 kon men deze Visserskapel, in neogotische stijl, inwijden.

In 1853 werd op de grens tussen Knokke en Heist een Onze-Lieve-Vrouwkapel gebouwd op de plaats waar een zekere Philippe Vandenberghe, die van Heist terugkwam, overleed. Het kapelletje werd in 1925, bij toenmalige openbare werken, een twintigtal meter verplaatst en het is nog steeds bekend onder de naam van kapelletje van de watertoren.

In 1893 verrees in Knokke het kapelletje van Onze-Lieve-Vrouw van de Graaf Jansdijk (bij de Kapellehoeve ; op grens van Vageviers- en Butspolder). In 1908 werd vanuit De Sint-Margaretakerk voor het eerst een bedevaart gehouden naar dit kapelletje. Deze bedevaart werd de start van een nieuwe traditie en nog elk jaar wordt op de eerste zondag van mei een bedevaart naar dit kapelletje georganiseerd.

Door het steeds groeiend verkeer, een zekere verstarring en een dalend kerkbezoek en de afschaffing van vele kerkelijke tradities door het Tweede Vaticaans Concilie, verdwenen de processie in de jaren zestig. Maar een zekere nostalgie van een aantal gelovigen deed nieuwe tradities ontstaan. In 1977 startte men in de Sint-Margaretaparochie met een plechtige dierenzegening, de zondag volgend op de Internationale Dierendag (begin oktober). Na een eucharistieviering trekken de dieren, samen met hun baasjes, naar het Verweeplein waar de eigenlijke dierenwijding plaatsvindt.

Ook in Heist werd een vernieuwde processie ingericht. De oorspronkelijke processie van Onze-Lieve-Vrouw der Zee was in 1949 reeds in een nieuw kleedje gestoken maar deze processie ging niet meer uit vanaf 1965. Enkele actieve Heistenaren stelden een nieuwe processie samen die vanaf 15 augustus 1990 elk jaar door de straten Heist trekt ter ere van Onze-Lieve-Vrouw ter Zee.

Die processie werd gekoppeld aan de bestaande traditie van de "Zeewijding".

Overzicht parochies

Heist

Knokke

Ramskapelle

Westkapelle

Leopoldus-Victor Vanderougstraete - Onderpastoor - 1863 - Geboren te Tielt op 5 augustus 1833 en overleden te Oudenburg op 9 januari 1882

Ferdinand-Victor Kindt - Onderpastoor - 19 oktober 1898 - Geboren te Kortrijk op 18 augustus 1870 en overleden op 5 december 1957

| inhoudstafel |

Afdrukken E-mailadres

Militaire geschiedenis 1

A. De vroegste periode

De ligging van onze streek bij de zee-inham naar de middeleeuwse wereldstad Brugge en daarna bij de nieuwe staatsgrens van de 16de-17de eeuw, had als gevolg dat de streek dikwijls in oorlogsgebied lag. De lokale bevolking had dan ook verschillende keren te lijden van oorlogsschattingen, plunderingen en verwoestingen, rondtrekkende legers en huurlingen,...

Voor de periode van de indijkingen (11de-12de eeuw) was het gebied gedeeltelijk overstroomd (cfr. brede monding van de Zinkval) en was het gedeeltelijk ontwikkeld tot schorre, waar vreemde aanvallers weinig te zoeken hadden.

Wel was de oudste nederzetting van Brugge reeds enkele keren een militair doelwit geweest. De Romeinse limes (2de-4de eeuw) lagen op de hoger gelegen zandruggen van Aardenburg – Aardenburg – Kassel. Het Romeinse handelsgehucht. Brugge (omgeving Fort Lapin) zou ca 280 door een brand zijn verwoest bij een inval van Germaanse piraten die in die periode de hele kuststreek onveilig maakten.

Enkele eeuwen later, bij de Noormaninvallen van de 9de eeuw, lijkt Brugge minder te hebben geleden dan bv. Gent en Kortrijk (winterkampen) aangezien Gentse en Torhoutse monniken hun kerkschatten in Brugge in veiligheid brachten. Vanaf ca 870 sloeg men munt in Brugge, wat op een zekere welstand (en veiligheid) wijst. Concrete (archeologische) sporen van de Noorman werden in onze streek niet gevonden.

B. De strijd van het graafschap Vlaanderen tegen de Franse koning

Na het huwelijk van Johanna van Constantinopel met Ferrand van Portugal (1212) probeerde koning Filip-August zijn invloed in Vlaanderen te vergroten (door o.a. Artois in te palmen). Graaf Ferrand zocht daarop toenadering met Engeland en met de steun van de steden Gent, Brugge en Ieper weigerde hij zijn leenheer te helpen op een veroveringspoging van Engeland.

Daarop wijzigde Filip-August zijn plannen en i.p.v. Engeland viel hij Vlaanderen binnen. Op 23 mei 1213 rukte zijn landleger op vanuit Calais naar Gent en Brugge die werden ingenomen. Tegelijkertijd voer zijn oorlogsvloot het Zwin op en bereikte Damme dat op 2 juni 1213 volledig wordt geplunderd. Ondertussen had de stad Gent de hulp ingeroepen van de Engelse koning die met zijn oorlogsvloot het Zwin opvoer en de Franse vloot volledig vernietigde.

Graaf Ferrand die naar Walcheren was gevlucht, vormde daar een nieuwe coalitie (o.a. met Jan zonder Land) tegen de Franse koning. Die coalitie werd op 27 juli 1214 verpletterend verslagen bij Bouvines.

Na een tijdelijk herstel van de verhouding tussen de leenman en de leenheer, kwam er op het einde van dezelfde eeuw opnieuw een conflict. Ditmaal tussen Graaf Gwijde van Dampierre en Floris V van Holland, die elkaar de heerschappij over Zeeland betwistten. Floris V verzekerde zich van de steun van Engeland terwijl Gwijde van Dampierre hulp kreeg van Zeeuwse edelen die in opstand kwamen tegen Floris V. In 1295 verwoestten de Hollanders Sluis en Cadzand. De Vlaamse tegenaanval werd afgeslagen.

Toen de Vlaamse steden de kant van graaf Gewijde van Dampierre kozen in de strijd tegen de Franse koning Filips de Schone, was de verdediging van de grenzen één der eerste bezorgdheden. De landlegers verdedigden de zuidgrens.

Ondertussen werd ook aan de kustverdediging, en in het bijzonder aan de verdediging van het Zwin gedacht. In de haven van Sluis werd reeds in 1301 een Vlaamse oorlogsvloot gevormd. De stad Brugge eiste de beschikbare schepen, waaronder ook verschillende vissersboten op. Deze schepen werden omgebouwd tot oorlogsschepen door voor- en achteraan een verhoog of kasteel te bouwen door de wanden te verhogen tegen een eventuele bestorming. De grootste schepen werden bemand met 40 à 80 bootsgezellen en een garnizoen van ca 50 soldaten of kruisboogschutters.

De landlegers behaalden in 1302 een belangrijke overwinning in de Slag bij Groeninge. Na de Slag kon een Franse vloot, op weg naar het Zwin, uiteengeslagen worden. De onrust bleef bestaan en in 1304 liet de stad Brugge een brug bouwen voor de sluis van de Reigaarsvliet in Westkapelle om zo de afwatering van Brugge te beschermen tegen een Franse actie. Op de eilanden Wulpen en Kadzand werden wachtposten geplaatst en Jan de Bruine uit Heist werd met 25 man in de nabijheid van Damme gelegerd.

Deze uitgebreide voorbereidingen konden niet verhinderen dat de Vlaamse vloot op 11 augustus 1304 bijna volledig werd vernield in een zeeslag bij Zierikzee. Om de overgebleven troepen zo snel mogelijk te kunnen evacueren eiste Brugge de vissersboten op. Aanvankelijk weigerden de Heistse vissers en de stad Brugge moest een tweede maal aandringen.

De Vlamingen heroverden Rijsel en Dowaai. De slag bij de Pevelenberg (18-20 augustus 1304) bleef voor de Vlamingen gelukkig onbeslist.

De strijd tussen Vlaanderen de Franse koning werd beëindigd door het verdrag van Athis (juni 1305) dat niet zo gunstig was voor de Vlaamse steden omdat zij o.a. een zeer hoge schadevergoeding moesten betalen.

De Vrede van Athis-sur-Orge legde Vlaanderen een zeer hoge oorlogsschatting op. Bij de inning van die belasting, voelden de plattelandsbewoners zich benadeeld en uitgebuit en kwamen o.l.v. Nikolaas Zannekin, in opstand tegen de fransgezinde graaf Lodewijk van Nevers. De opstand werd in 1328 (Slag bij Kassel) in het voordeel van de graaf beslecht.

Een belangrijk figuur in die opstand was Lambert Bonin, een rijke boer uit Westkapelle, die na de slag werd gevangen genomen en vermoord.

| inhoudstafel |

Afdrukken E-mailadres

Militaire geschiedenis 2

C. De Honderdjarige Oorlog

De sociaal-economische en politieke onrust bleef bestaan, toen de graaf partij koos voor zijn Franse leenheer in zijn strijd tegen Engeland. Dit had als gevolg dat in 1336 de Engelse koning Edward III de wolexport naar Vlaanderen verbood en de Engelse wolstapel verlegde naar Dordrecht. De Vlaamse steden, die voor een groot deel afhankelijk waren van Engelse woltoevoer, kozen de zijde van de Engelse koning. Onder leiding van Jacob van Artevelde gingen zij Edward III huldigen als hun leenheer. Toen Edward III in 1340 naar Sluis wou komen blokkeerde de Franse vloot de Zwinmonding. De Franse vloot werd echter verpletterend verslagen.

image001

Zeeslag bij Sluis 1340 (Froissart)

De Vlamingen probeerden zich vervolgens zo neutraal mogelijk op te stellen om de handel, zowel met Engeland als met Frankrijk veilig te stellen. Dit belette niet dat voor onze kust regelmatig aan zeeroverij, waaraan ook de Vlamingen deelnamen, werd gedaan.

De Vlaamse graaf Lodewijk van Male beval de Vlaamse schepen in 1377 zelfs om in konvooi te varen. Dit kon niet verhinderen dat in 1378 een dertigtal Vlaamse schepen gekaapt of beroofd werden door de Engelsen. De schepen behoorden aan burgers uit Damme, Sluis en Brugge en zij brachten wijn en haring mee. Toen Normandische kapers, niet alleen Engelse, maar ook Vlaamse schepen begonnen aan te vallen, liet de Vlaamse graaf een aantal vissers uit Heist, Blankenberge, Nieuwpoort en Duinkerke oproepen om zich klaar te maken voor de strijd. Aan de kaperij kwam een eind toen Lodewijk van Male en de Franse koning Karel V in 1370 de vrede op zee overeenkwamen. Twee jaar laten sloten ook de Franse en de Engelse koning een tijdelijk verdrag.

De rust was echter niet hersteld in Gent dat zich nog steeds verzette tegen de graaf Lodewijk van Male die steun ging zoeken in Frankrijk. De Gentse Witte Kaperoen versloegen de graaf op het Beverhoutsveld bij Brugge (13 mei 1382) en de graaf vluchtte naar Frankrijk. De Vlaamse steden Brugge, Ieper en Kotrijk sloten zich aan bij Gent.

Filips de Stoute, hertog van Bourgondië, volgde in 1384 zijn schoonvader Lodewijk van Male op. Onmiddellijk trad hij kordaat op tegen de Vlaamse steden. Met de steun van de Franse koning wist hij de Gentenaren, die in 1385 Damme hadden ingenomen om de vaarweg naar Brugge te blokkeren, te verdrijven.

De strijd met Gent werd beëindigd met de Vrede van Doornik waarbij de Gentenaren hun alliantie met Engeland afzwoeren.

Dit laatste was belangrijk voor Filips de Stoute die samen met de Franse koning een invasie in Engeland begon voor te bereiden. De hertog bracht in 1386/87 een vloot van 287 schepen samen in Sluis. Voor de Zwinmonding lag de Engelse vloot te wachten, maar het kwam niet tot een zeeslag omdat de beide partijen een wapenstilstand sloten voor 5 jaar. De handelsstad Brugge had deze vrede dringend nodig om de vreemde handelaars van de Duitse Hanza, uit Catalonië, Portugal, Genua, enz. terug aan te trekken. Daartoe moest eerst de veiligheid op zee hersteld worden en moest de Zwinmonding extra beveiligd worden. Langs de vaarweg naar Brugge lagen de volgende verdedigingspunten : het kasteel van Lembeke, de stad Sluis met een kasteel en de stad Damme. Filips de Stoute liet tegenover het kasteel van Sluis in 1394 de Bourgondische Toren bouwen.

Ondertussen bleven Engelse kapers, vanuit Calais, onze kust onveilig maken. Vanaf 1396 kregen deze de steun van Zeeland die de zijde van Engeland had gekozen. Zeeuwse en Engelse kapers opereerden voor de Vlaamse kust en verhinderden zo de internationale handel. Regelmatig kwamen de kapers in botsing met Vlaamse vissersboten die zich ook hadden bewapend. Bij één van die schermutselingen werden enkele Heistenaren gedood en 13 anderen werden meegevoerd naar Engeland. Een afvaardiging van het Brugse Vrije trok naar Calais om de Heistenaren vrij te krijgen. Alhoewel de Engelsen meenden dat de vorseide corvers van Heys sere vele misdaen hadden kwamen de Heistse vissers toch vrij.

De strijd culmineerde in een rechtstreekse aanval van de Engelsen die in mei 1404 met een grote vloot voor de kust van Heist lagen. Onmiddellijk werd groot alarm geslagen in het Brugse Vrije. Alle beschikbare vissersboten werden samengetrokken in Sluis, maar zij konden niet verhinderen dat de Engelsen de Zwindelta binnenvoeren en ontscheepten in Wulpen en Cadzand. Ook plunderden zij enkele schepen van de Duitse Hanza.

Een jaar later planden de Engelsen een inval in Sluis. De stad had zich echter goed voorbereid en kon de aanval afslaan waarbij een zestigtal Engelsen sneuvelden. De Engelsen plunderden dan maar de parochies Sint-Anna-ter-Muiden, Knokke, Heist, Kadzand en Westkapelle. Omdat de toren van Westkapelle diende als vaarbaken of richtpunt om het Zwin binnen te varen, was deze toren zeer belangrijk. De Vier Leden van Vlaanderen kwamen daarom overeen om de toren op hun kosten te herstellen. De werken waren klaar in 1410.

Ondertussen hadden Vlaanderen en Engeland in 1406 en 1411 een vrede gesloten. De beide partijen bleven echter op hun hoede en regelmatig kruisten oorlogsschepen voor de Vlaamse kust. Dit was nodig omdat de Zeeuwse, Normandische en Schotse zeerovers niet betrokken waren bij de vredesonderhandelingen.

In 1414 kon hertog Jan zonder Vrees de vrede tekenen met Holland en Zeeland en op aandringen van de Duitse Hanza werd het vredesverdrag met Engeland verlengd tot 1417. Deze overeenkomsten werden echter zeer dikwijls geschonden langs beide zijden. Er was voortdurend diplomatiek overleg nodig om de wederzijdse schade te vergoeden en zo de gemoederen te bedaren.

Deze toestand verslechterde toen Filips de Goede na de Vrede van Utrecht (1435) openlijk de kant koos van Frankrijk. Hij hoopte daardoor de nodige vrede met Frankrijk te bekomen om zich bezig te houden met de interne politiek. Onmiddellijk begonnen de Engelse kapers opnieuw de Vlaamse schepen aan te vallen.

Nadat een aantal Sluizenaars, op terugweg van La Rochelle, door Engelse zeerovers in het Kanaal waren aangevallen en vermoord, besloot hertog Filips de Goede om de Engelse vlootbasis in Calais te veroveren. Er werd een leger, waaronder ook Heistse vissers, gemobiliseerd dat naar Calais trok. De expeditie naar Calais werd een mislukking want na negentien dagen belegering trokken de aanvallers zich op 28 juli 1436 terug.

Deze poging om Calais in te nemen werd gevolgd door een razzia van de Engelse troepen. Reeds op 14 augustus 1436 voer een Engelse vloot voor de Vlaamse kust. Het Brugse Vrije stuurde een aantal boten naar het Hazegras omme overzien de plaetse, of men daer soude moghen maeken zekere bolwerken. Of het bolwerk er ooit is gekomen is niet geweten maar niets belette de Engelsen om Sluis aan te vallen en enkele schepen te beroven. Brugge legerde van 2 september 1437 tot maart 1438 een afdeling soldaten te Damme om een mogelijke aanval af te slaan.

Deze voortdurende oorlogstoestand had zware gevolgen zowel voor de Engelse, als voor de Vlaamse internationale handel.

Daarom werd in 1439 een vrede gesloten tussen Filips de Goede en de Engelse koning. Deze vrede voorzag in een veilige vaart voor de Engelse, Vlaamse en Oosterse handelsschapen en de havens zouden geen onderkomen bieden aan piraten.

De problemen met de Engelsen waren even opgelost maar de Honderdjarige Oorlog was nog niet voorbij want de Franse zeerovers bleven de Vlaamse schepen plunderen. Burgers van het Brugse Vrije werden opgeroepen om de wacht op te trekken maar in 1453 landden de Fransen toch op Wulpen en Kadzand. Het Brugse Vrije besloot schepen te bewapenen om de haringvissers te beschermen. Hiertoe moesten de vissers een deel van hun haringvangst afstaan.

De spanning met de Franse koning Lodewijk XI verhoogde in 1465 toen de oorlog van de Ligue du Bien Public gewonnen werd door de hertog van Bourgondië. Een represaille onder de vorm van een landing op de Vlaamse kust was niet denkbeeldig. De inwoners van Knokke, Westkapelle en Heist werden gemobiliseerd om de wacht op te trekken. Omdat het Hazegras terug als zwakke plek in de verdediging werd gezien werden ook inwoners van Oostkerke, Dudzele en Ramskapelle opgeroepen om de Knokkenaren en Westkapellenaren te helpen. De Heistenaren werden als talrijk genoeg beschouwd om hun plan te kunnen trekken. Ook werden twee paarden, één uit Knokke en één uit Westkapelle, opgeëist om voortdurend langs de kustlijn heen en weer te rijden. Of dit kordate optreden een voldoende afschrikking was is niet bekend, maar de Franse inval bleef in elk geval uit.

Alhoewel in oktober 1468 vrede werd gesloten, werd deze snel verbroken zodat bijna voortdurend de wacht moest opgetrokken worden en oorlogsschepen worden uitgerust. Ook de vredes van 1472 en 1479 hielden niet lang stand.

D. De opstand tegen Maximiliaan van Oostenrijk

Toen Maria van Bourgondië in 1482, na een val van haar paard overleed, weigerden de Leden van Vlaanderen om haar echtgenoot Maximiliaan van Oostenrijk te erkennen als de nieuwe regent. Zij wilden van de overgang profiteren om in grote mate zelfbestuur te verkrijgen en zij kwamen in opstand. Maximiliaan wou de opstandige gebieden militair heroveren en aangezien hij de steun van Zeeland had verkregen, vreesde het Brugse Vrije een inval vanuit het oosten. Opnieuw werden handelsschepen gepraaid en werd Wulpen vernield.

Het Brugse Vrije riep weer op om de wacht op te trekken langs de westelijke oever van het Zwin. Het bevel van de verdediging van het Hazegras stond onder Pieter Debey, hoofdman van Heist. Deze verdediging was echter niet opgewassen tegen de militaire macht van Maximiliaan. Op 21 juli 1484 gaf Brugge zich over. De Leden van Vlaanderen sloten op 28 juni 1485 de Vrede van Sluis waarbij Maximiliaan als regent werd erkend.

In 1488 laaide de opstand tegen Maximiliaan terug op. De keizer werd vanaf 5 februari 1488 in Brugge gevangen gezet. Op 16 mei kwam men tot een akkoord daarbij stond Maximiliaan een deel van zijn macht.

Deze overeenkomst werd echter onmiddellijk geschonden door Maximiliaan, die militaire steun kreeg van zijn vader, de Duitse keizer Frederik III. De militaire actie van de opstandelingen werd geleid door Filips van Kleef die van Sluis zijn uitvalsbasis maakte. Opnieuw werd een harde strijd gevoerd en moesten onze parochies manschappen leveren. In Heist lagen 150 gheselle van oorlogen om de kust te bewaken. Maximiliaan kwam echter oprukken vanuit Middelburg. Op 6 juni 1488 werden de inwoners van het Oostvrije opgeroepen om het kasteel van Lembeke te bewaken. De omgeving van Damme werd onder water gezet en in Monnikenrede werden 100 manschappen gelegerd.

Omdat de aanval de beste verdediging is, riep men in het Vrije op dat alle weerachteghe mannen vanden Oostvryen ghewapent trecken zouden te Middelbuerch...dat alle de ghuene, die met spaden en houwelen wercken consten, dat zy ter stont trecken zouden te Middelburg. Ondertussen dreigde er gevaar van de andere kant en riep men op in diversche prochien int Noordvrye omme tvolc .... te vergaderene ... te zenden t Oosthende, de welke ghesommeirt waren vanden vianden.

De stad Oostende werd onmiddellijk versterkt tegen een mogelijke inval. De grootste bedreiging kwam echter van de oorlogsvloot die Maximiliaan had samengebracht in Antwerpen. Toen deze vloot naderde, trokken de Franse troepen, die de opstandige steden hadden gesteund, zich terug. Op 3 augustus 1489 trokken zij van Brugge naar Heist om daer te scepe te gaene.

De Duitse troepen, o.l.v. de Graaf van Nassau, konden in september 1489 Damme heroveren, waardoor Brugge niet meer bereikbaar werd via het Zwin en zo zijn bevoorrading verloor. Brugge capituleerde dan ook in november 1489 en het sloot met Maximiliaan de Vrede van Tours.

Sluis bleef echter in handen van Filips van Kleef die weerstand bood aan de keizer. Vanuit Sluis werden rooftochten gehouden in de omliggende parochies. Deze parochies hadden bovendien te lijden van de vreemde troepen van Maximiliaan die hier verbleven en bovendien was veel land onder water gelopen omdat de strijdende partijen gebruik maakten van inundaties. Zo liet Filips van Kleef de Graaf Jansdijk doorsteken zodat deze achterliggende polders door het zoute water werden overspoeld. Het einde van de strijd werd vastgelegd in de Vrede van Damme in oktober 1492.

| inhoudstafel |

Afdrukken E-mailadres

HoofdpuntenInterresante rubriekenZoekenAndere informatie
Startpagina
Activiteiten
Nieuws
Gastheerschap
Musea in de Zwinregio
Kustmusea
Geschiedenis
Reecz
Publicaties heemkunde
Tijdslijn
Bibliotheek
Europese projecten
Contact
Copyright © 2019  - Zwinstreek.eu - Alle rechten voorbehouden.